“Mij hebben ze nooit klein kunnen krijgen.”

Opgetekend door: Pjotr van Lenteren

Het levensverhaal van Albert

Albert Nijhuis is een van de bekendste botenbouwers van zijn tijd, in de traditie van 12-voetsjollen. Overal in Nederland én in Vlaanderen varen er trotse eigenaars mee rond. Wat dat zo bijzonder maakt, is dat hun timmerman nauwelijks iets kan zien. Het zicht dat hij miste, kwam dubbel terug in de vaardigheid van zijn handen. “Alles klopte altijd precies.”  

Niemand kan zo koninklijk achter zijn rollator op zijn praatstoel zitten als geboren en getogen Leidenaar Albert (1946) in het keukenhoekje van zijn kamer aan het einde van de gang van de benedenverdieping van Huis op de Waard. Schuin boven hem aan de muur een ingelijste foto van een door hem gemaakte 12-voetsjol, radio onder handbereik en koffie met een koekje op tafel, net gebracht door een verpleegkundige. “Nou, beste man, wat wil je weten?”  


Een hele vloot 

Het is niet de eerste keer dat Nijhuis wordt geïnterviewd. Erfgoed Leiden en Omstreken sprak hem in 2023 uitgebreid over zijn grote trots: hij is de laatste Nederlandse botenbouwer die perfecte houten zeilbootjes kan maken, die voldoen aan zeer specifieke criteria. “In Nederland is de 12-voetsjol als zeilbootklasse groot. Kaagweek, Sneekweek: allemaal jollen. Die boten zijn er, als ze goed worden onderhouden, voorlopig nog wel. Er vaart nog een hele vloot rond van mijn hand.”  

Wat langer geleden had hij een gesprek met een journalist in opdracht van het Leidse museum de Lakenhal. Op de website en in het magazine van de Lakenhal, waar hij naast is geboren en een groot deel van zijn leven ook naast heeft gewoond, vertelt hij over de leuke kant van zijn jeugd. Nog wel eens een lijst gemaakt. 

Het oude Leiden, midden in de weilanden en nog zonder Merenwijk, Zuid-West en Stevenshof. Schapen van Texel, die worden aangevoerd met boten en de Lammermarkt opgejaagd, de drukte van de veemarkt. Hij verzamelt er mest voor de volkstuin van zijn oom en heeft er zijn eerste betaalde baantje. 

Vergrootglas 

Over de rest van zijn jeugd is hij wat minder te spreken. Nijhuis groeit op als vierde in een katholiek gezin van dertien broers en zussen, met veel onderlinge strijd. Vader Herman, onder meer banketbakker en begrafenisondernemer, verongelukt bij het oversteken op 66-jarige leeftijd. Hij laat een nare erfenis achter: ongeveer de helft van zijn kinderen krijgt dezelfde oogziekte als hij.  

Albert ziet van alle kinderen het slechtst; hij leert wel lezen, maar heeft dat – toen hij dat nog kon – met een vergrootglas moeten doen. Hij verwijt dat zijn vader zeer. “Als je weet dat je zoiets hebt, dan geef je dat toch niet door?” Zelf heeft hij om die reden nooit kinderen gewild. 

Moeder Toos kan net als zijn vader heerlijk koken en kleren maken als coupeuse, maar daar laat hij het liever bij. Hij heeft zijn broers en zussen al tientallen jaren niet gezien. Hij maakt er verder liever geen woorden meer aan vuil. “In heel veel families is wat mis. Als het niet botert, dan botert het niet.”  

Precisie 

Bootjes zijn Nijhuis’ grote liefde. Als veertienjarige bouwt hij zijn eerste, met een van zijn broers. Bromfietsmotor erin en op naar de Kager Plassen. “Mijn oudste broer had ook een boot, maar die ging stuk. We hebben hem nog wel eens van het midden van de plas moeten halen.”  

Als voortgezet onderwijs er met zijn achteruitgaande ogen niet meer inzit, gaat hij in de leer bij een timmerman en botenmaker. “Ik heb het vak geleerd door mee te lopen. Mijn eerste baas liet me alleen schuren. Ik kon niet veel zien, maar bleek het werk des te meer in m’n handen te hebben. Ik heb technieken verzonnen, waar niemand anders op is gekomen.”  

Nijhuis vertelt er graag over. Meten is weten, precisie zijn talent. “Zo’n boot wordt opgebouwd uit allemaal kleine stukjes. Daar heb ik mallen voor gemaakt. Ik hoefde nooit een paar keer te passen: alles klopte altijd meteen.” Als er geen boten waren om te maken, kon Nijhuis sponningen in elkaar zetten voor deuren en ramen. “Die luisteren ook erg nauw.”  

Hout en metaal hebben al snel geen geheimen voor meer hem. En in de werkplaats vindt hij al snel op de tast zijn weg. Wat hem een keer is voorgedaan, doet hij perfect na. Lastige dingen als gaten boren voor de schroef van een boot: geen probleem. Freeskoppen maakt hij zelf. “Wat kapotgaat, kan ik weer maken. Alleen lassen kan ik niet.”  

Vuile handen 

Aan zijn ondernemingslust heeft het niet gelegen: Nijhuis wordt al snel eigen baas. Met twee broers zet hij Nijhuis Jachtbouw op. Zij de regenbogen, een ander soort zeilboten. Hij, soms geholpen door een maat, de jollen. “Ik regelde alles. Zij voerden geen fluit uit.” 

Eén bestelling moest hij, naast zijn eigen werk aan de jollen, inderhaast afmaken. Daarna trekt hij de stekker uit het bedrijf. “Zij konden op zoek naar een betaalde baan.”  

Waar hij achteraf het meest trots op is? “Een grote roeigieken uit Antwerpen. Ik had zes weken. Dag en acht gewerkt. Met een politie-escorte naar België om af te leveren. Ik ben nog naar het doopfeest geweest. Daarna heb ik veertien dagen geslapen. Ik laat een mooi repertoire na. Boten van een kwaliteit die niet meer gemaakt wordt.” Hij wijst nog maar eens naar de foto die prominent aan de muur hangt en weet, tot zijn tevredenheid, dat de technische beschrijving van de boten nog in scheepsarchieven te vinden zijn. 

Dat hij nooit een leerling heeft gehad spijt hem wel. “Maar het vak leren door jarenlang dag in dag uit naast je leermeester te staan om de kneepjes te leren: wie wil dat nog? Het moet allemaal snel, snel, snel tegenwoordig. En vuile handen wil ook niemand meer.” 

Halve advocaat 

De negatieve ervaringen de leergierige Nijhuis vooral sterker gemaakt. Hoe? Gewoon: door zijn gezonde verstand te gebruiken. “Al die rottigheid heeft me een halve advocaat gemaakt. Rechtsorde? Als ze me moeten hebben, zoek ik meteen uit of het wel klopt. Anderen heb ik er ook altijd mee geholpen. Met een vrouwtje bij mij in de buurt heb ik een straatverbod geregeld voor een ex-man die haar belaagde. Conflict over belastingen? Twijfels over eigendom? Vergunningen? Ik zoek het tot de bodem uit. Ik laat ze hun eigen graf graven er zorg dat ze erin donderen. Zo intelligent ben ik. Als Albert zich ermee gaat bemoeien, hoed je dan maar.”  

Verlangen naar onafhankelijkheid en een eigen plek drijven hem. Lang woont hij in een van de panden die de familie bezit. Zijn laatste Leidse adres is anti-kraak aan het Fokkeplein, de toenmalige tuin van de Lakenhal, aan de Lammermarkt. Hij doet klusjes voor de Lakenhal. “Mijn broer heeft het verkocht het aan de gemeente, om mij te treiteren. Ik ben Leiden uitgejaagd.”  

Zijn redding is het stukje grond bij Stompwijk, dat hij koopt van een failliete tuinder, netjes met vergunning, met een bouwvallige loods en ruimte voor een huisje van 80 vierkante meter. “Dat stukje grond heb ik al die jaren onder de pet kunnen houden. Je moet geen apen leren klimmen, zoals ze in Leiden zeggen.” En zijn volkstuin in Koudenhoorn, bij Warmond, is zijn andere favoriete plek. “Elke dag 15 kilometer op en neer gefietst. Daar was het altijd gezellig.” Hij heeft zijn stukje grond in Stompwijk jaren later goed kunnen verkopen. “Het was niets waard, en nu, veertig jaar later! Ik kan de toekomst lezen.”    

Licht 

Hoe kijkt hij op het leven terug? Die vraag roept ergernis bij op: “Ik zie toch niets, begrijp dat dan, beste man. Letterlijk!” Ook de vraag wat zijn mooiste momenten waren is daarom niet aan hem besteed: hij kan niet zien, dus ook niets mooi vinden. Hij heeft een eigenzinnige levensfilosofie, door ervaring opgedaan. Het geloof houdt hem bezig, ook al viel hij er al jong vanaf. “We zijn lid van de natuur. We zijn afhankelijk van de zon. In de schaduw is geen groei, geen leven.”  

Maar de kerk? “Wat ze op de kansel verkondigen, daar klopt niets van. Ze beloven je het aardse paradijs en dat je naar de hemel gaat. Een ouwel het lichaam van Christus? Wat een onzin. Je moet je verstand gebruiken. Wonderen in Lourdes? Er is geen tastbaar bewijs dat er leven na de dood is. Maar ja: iedereen z’n eigen religie, ik bemoei me er niet mee. Is ook niet nodig. Vroeger zaten de kerken stampvol, nu alleen nog met de nachtmis voor Kerst.”  

Dat weerhoudt Nijhuis er niet van om kerken te bewonderen. Architectuur en historische bouwwerken interesseren hem zeer. “Dat ze dat konden maken, in de Middeleeuwen. Ze hadden niks. Geen machines. Hoogstens een paar katrollen en touwen. Die gewelven die ze ermee konden maken: prachtig.”    

De Hooglandse Kerk, de Pieterskerk, de Marekerk, waar hij als hij als Katholiek jongetje naartoe ging, de Onze-lieve-vrouwenkathedraal van Antwerpen. Die laatste is zijn favoriet. Brussel en Antwerpen zijn trouwens ook de enige buitenlandse steden waar hij is geweest, om schepen af te leveren. Een vliegtuig heeft hij nooit van binnen meegemaakt. “Wat heb ik in het buitenland te zoeken? Moet je zo nodig controleren of het waar is, wat er op televisie is? Mij te heet. Als je heel hard begint te zweten, dan weet je dat je in het buitenland bent. En omdat ik slecht zicht heb, moet er altijd iemand met me mee om naar de wc te gaan. Mij niet gezien. Waar ik de weg weet, kan ik alles zelf.”  

Goede oren 

Toen hij ouder werd kreeg hij maatschappelijk werk over de vloer. “De conclusie was: u heeft helemaal geen zorgvraag. En dat is ook zo. Ik doe alles nog zelf. Naar een bejaardenhuis gaan, was een grote vergissing. Ze zijn aardig hoor, maar er is hier niks te beleven. In Stompwijk was ik lekker op mezelf, de supermarkt kwam de boodschappen met een vrachtwagentje brengen. Perfect. Maar ja, er gaat een buurman dood. Dan een buurvrouw. Er kwam niemand meer op bezoek. Nu sta ik met één been in het graf. Ik was liever thuis gestorven.”     

De enige persoon die zich nog om hem bekommert, en hij om haar, is een oude vriendin. “Sophie, mijn buurvrouw toentertijd aan het Fokkeplein. Daar heb ik nog steeds contact mee. Ik bracht haar altijd de post, zo is dat contact begonnen. Die woont tegenwoordig in Hattem en komt op mijn verjaardag weer langs. Ze praatte altijd graag met mij. Ze is geadopteerd uit Korea. Haar vriend regelt nu dingen voor me. Sophie doet mijn financiën en boodschappen. Sophie is een engel.”  

Zijn lol – en kennis – haalt hij nu van de radio. Hij volgt alles nog. Zijn lievelingsprogramma is Nachtzuster. Hij heeft nog wel eens ingebeld en kwam op de radio. “Als kind kreeg ik op school Arendsoog voor-gelezen. Geweldig. Wij hadden geen boeken thuis. Ze lezen kostte met een vergrootglas ook te veel moeite. Ik verzon zelf wel verhalen. En ik had de radio. Dat was mijn redding. Mijn gehoor is gelukkig goed.”  

Dankzij de lokale radio weet Nijhuis nog precies wat er in Leiden en omstreken gebeurt. En hij vindt er ook wat van. Dat er geen gras groeit in het Van der Werffpark bijvoorbeeld: hij weet hoe het komt. Geen licht. Dus geen gras. Dus als hij hoort dat er tonnen is besteed aan pogingen om gras in het Van der Werfpark te laten groeien, belt hij een vriend om de media te laten weten hoe het zit. “Dat iedereen nu weet dat het door de schaduw komt, is dankzij mij.  Ik heb dat bekend laten maken.”  

Zonder muts 

Tot slot wil hij graag op de foto zonder muts. “Dan zien ze dat ik kaal ben. Dan denken ze dat ik gestudeerd heb. Want van studeren word je kaal. Wist je dat?” Voor wie het nog niet door heeft: Nijhuis houdt wel van een geintje.  

Wil hij verder nog wat meegeven? “Ja, graag, en wel dit: van internet word je dom. Internet is liegen en bedriegen. Dat is de waarheid. De mensen zijn dom geworden. Ze krijgen niks meer van hun ouders mee. De mobiele telefoon heeft alles naar de kloten geholpen. Mensen denken niet meer zelf. Dat heb ik ook op de radio gezegd. Dat mag je publiceren.”  

Wraakzuchtig is hij niet, ondanks alles, wil hij ook nog zeggen. “Ik ben heel veel misgelopen door dat slechte zicht. Ze zeggen ze dat je dan nergens kunt werken. Ik heb het tegendeel bewezen. Heel mijn leven keihard gewerkt. Ik werd door mijn klanten op handen gedragen. Ik heb geen stuiver schuld. En zelfs een erfenis voor iemand die het verdient. Nee, mij hebben ze nooit klein kunnen krijgen.”  

En als het allemaal anders was gegaan? “Dan had ik een kasteel gehad. In een natuurrijke omgeving. Dan was ik een graaf, met pages. Dan had ik veel meer kunnen doen in mijn leven. En altijd een auto onder mijn kont. Beste man, ik ben eigenlijk Karel de Grote. 

Leiden, december 2025 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *