Gewoon medemenselijkheid
Theo werd meer dan 70 jaar geleden geboren in Nijmegen. Na een verhuizing keerde hij er met heimwee naar terug. Hij woont nu in een oude villa net buiten de stad, in een opvanglocatie met acht andere mannen. Samen zijn ze verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. Theo is er best tevreden met wat hij ervaart als een makkelijk bestaan. Dat is wel eens anders geweest…
Dubbele klap
De eerste jaren van zijn leven woont Theo met zijn vader, moeder en oudere broertje in een volkswijk in Nijmegen. Hij herinnert zich er niet veel meer van, behalve het moeilijkste: het overlijden van zijn moeder. Theo vertelt: “Dat is toch wel mijn grootste psychische verwonding, hoe dat allemaal gegaan is. Mijn moeder was al een tijdje ziek toen de huisarts mijn vader vertelde dat ze niet meer te helpen was. Hij adviseerde om het haar niet te vertellen zolang het nog redelijk ging. Dus de hele familie en alle vrienden wisten dat mijn moeder dood zou gaan, behalve zij zelf en ik en mijn broertje. Tot mijn moeder het ontdekte door een brief van de specialist in de bibliotheek met een medische encyclopedie ernaast te ontcijferen. Aan het half jaar erna heb ik heel nare herinneringen. Er kwam een pastoor die me vertelde dat ik niet bang hoefde te zijn, mijn moeder zou naar de hemel gaan. Ik had toen echt het idee dat ze ergens naartoe ging, zo vertaalde ik dat. Toen ze overleed was ik dus heel erg blij dat ze naar die hemel was. Dat kwam vreemd over, mijn vader en de huisarts vonden het daarom beter dat mijn broer en ik haar lichaam nog even zouden zien. Dat vreselijke beeld heb ik nu dus nog steeds. Ik kreeg een dubbele klap, ik ging zonder dat ik het besefte mijn vader wantrouwen. Ik voelde me verraden.”
Een hele verandering
Het gezin verhuist, oma woont nu om de hoek. Ze is een lieve, zachte vrouw die als een moeder voor de twee kinderen zorgt. Vader werkt hard als woningstoffeerder en hertrouwt met een weduwe met een dochtertje als Theo tien jaar is. “Het was een hele verandering. We hadden een typische mannenhuishouding en kregen er opeens een moeder en een zusje bij. Het was een hele lieve vrouw. Ze kregen samen nog een dochter en een zoon dus toen had ik een broer, een stiefzusje en ook nog een halfzusje en een halfbroer. We werden allemaal heel gelijk behandeld. Als ik zo naar mijn jeugd terugkijk dan ben ik heel lief, warm en beschermd opgevoed. Het enige lastige was dat mijn vader dronk en dan alle aandacht van iedereen ging opeisen. Verder was het echt een hele goede vader. Ze zijn altijd samen gebleven en inmiddels allebei overleden, mijn vader het eerst. Gelukkig eigenlijk, mijn moeder redde zich prima alleen, dat had mijn vader nooit gekund.”
Jonge jaren
Als jonge jongen mag Theo zijn vader meehelpen met vloerbedekking leggen en trappen bekleden. Hij heeft er plezier in en kan al snel bijna alles alleen. Hij schat in dat hij in de loop van zijn leven wel zo’n 200 trappen heeft gelegd. Hij leert zijn vrouw kennen als hij zeventien is en zij zestien. Vier jaar later trouwen ze en het begin van het huwelijk is een mooie tijd. Ze richten hun woning in met het geld dat vrijkomt van de erfenis van zijn overleden moeder. Theo tekent vrijwillig bij het leger, krijgt een officiersopleiding en dient zijn jaren uit. “Toen ik uit de landmacht ging, was ik nog getrouwd. Ik ging werken bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Van de afsluitingspremie van de landmacht kochten we een huis in Voorburg. Die verhuizing was geen succes, het huwelijk begon ook te stranden. Ik was niet toe aan kinderen, mijn vrouw wel. Een jaar nadat mijn zoon werd geboren wilde ik scheiden.” De verkoop van het huis levert een flinke schuld op, het lukt Theo om die af te lossen. Hij gaat terug naar Nijmegen, woont er op een klein kamertje en werkt bij het Cito in Arnhem. Als zijn contract niet verlengd wordt komt Theo in de uitkering terecht. Hij kan het dan allemaal niet meer aan.
Op en neer
“Op mijn 30ste deed ik mijn eerste suïcidepoging. Gewoon diep het bos in gelopen met een fles Vieux, een boel wiet en allebei mijn polsen doorgesneden. Ik ben gevonden door een hondenuitlater. Een microchirurg zette de boel weer aan elkaar, ik kan mijn handen nog bewegen. Het moest zo zijn, ik had blijkbaar nog wel wat te doen in deze wereld.”
Na zijn opname in de psychiatrie krijgt Theo een flatwoning en gaat hij aan de slag als vrijwilliger bij een jongerencentrum. Hij heeft het er 25 jaar lang goed naar zijn zin en doet er van alles: onderhoud, schoonmaken, de zalen en de tuin. Hij voelt zich nuttig en op zijn plek. Daar komt na de komst van een nieuwe baas en ander publiek een einde aan, uiteindelijk wordt het centrum gesloten. Hij zit alleen thuis met een uitkering in zijn verwaarloosde woning. Hij betaalt de huur niet meer als in zijn flatgebouw een kakkerlakkenplaag uitbreekt en aanhoudt. Bezoek durft niet meer te komen, hij vereenzaamt. Er volgt een tweede suïcidepoging waarvan Theo zich weinig herinnert. Terug thuis wordt hij na drie maanden huurachterstand uit zijn huis gezet. Hij komt terecht in de opvang, het gaat dan even wat beter. Hij drinkt jaren niet en blowt maar af en toe. Hij woont op een mooie locatie in het bos tot hij in botsing komt met de begeleiding. Als hem voor drie dagen de toegang geweigerd wordt reageert Theo kwaad, het conflict escaleert, uiteindelijk wordt hij er onder politiebegeleiding uitgezet. Zo komt hij als 69-jarige op straat terecht. “In de winteropvang begon de ellende pas goed. Bij die containers is het een soort krijgsgevangenenkamp, iedereen behandelt je als een smerige junkie. Het terrein is afgezet met een hek, je wordt bij binnenkomst gefouilleerd, je mag er helemaal niks. Ik ben er bedreigd en beroofd van alles wat ik nog had: telefoon, bankpas, ID en rijbewijs. Pas na vier maanden kon ik weer dingen controleren en regelen. Ik zat dus zonder geld op straat, daar ben ik verslaafd geraakt aan de coke. Eerder had ik geen contacten in dat wereldje.”
Het leven op straat
Theo leeft een paar jaar op straat, in de winteropvang en op wisselende opvanglocaties. Hij probeert het voor zichzelf als een avontuur te zien, dat maakt het wat minder moeilijk. Er zijn ook mooie momenten. De ganzen die hem kennen en die ‘s ochtends rond zijn bankje zitten als hij wakker wordt in het Kronenburgerpark. De jongens die hem meenemen naar de kroeg voor een gezellige avond samen. De vaste mensen op straat die hem herkennen. Zomaar iemand die geld geeft. “Dat geld is natuurlijk leuk, als je bezig bent met blikjes zoeken ben je daar harstikke blij mee. Het allermooiste blijft toch het gebaar, dat mensen je niet uitstoten maar zien dat je een mens bent en je ook zo behandelen. Het ergste op straat is dat er gewoon jacht op je gemaakt wordt. Als straatmens krijg je boetes voor de simpele dingen waar ieder mens recht op heeft: uitrusten, naar het toilet gaan, slapen. Gewoon omdat je ergens zit en verder niks verkeerds doet. Met de politie valt nog wel eens te praten, maar handhaving strooit met boetes. Dat kost per keer al 108 euro. Vorig jaar ging nog bijna al mijn vakantiegeld op aan die boetes. Vooral mensen die verslaafd zijn zitten daar echt niet op te wachten. Er gaat dan heel wat geld op aan coke. Met blowen en drinken houdt het ergens op, het grote nadeel van coke is dat het nooit genoeg is. Als je het geld ervoor hébt is het geen punt, maar ja, je wilt toch altijd méér.”
Geen pessimist
Op de locatie waar Theo nu sinds een jaar woont geldt: je wordt niet beoordeeld op je gebruik, maar op je gedrag. Hij is tevreden met het comfort, de rust, de privacy, zijn medebewoners en zijn kamer waarin hij zijn eigen gang kan gaan. Hij houdt van planten en bijzondere stenen, hij heeft er van allebei veel. Hij vindt het een makkelijk bestaan, al blijft zijn verslaving hem wel parten spelen. “Ik ben op bepaalde momenten heel bewust gaan zitten en terugdenken aan wat ik goed en verkeerd gedaan heb. Mijn verslavingen zijn mijn zwakke punt. Mijn sterke kant is het sociaal zijn. Ik ben thuis echt opgevoed met samen delen. Je gaat niet zitten eten naast iemand die honger heeft, dan eet je samen. Dat is gewoon medemenselijkheid.” Theo citeert een gedicht dat hij ergens heeft gelezen en dat hem is bijgebleven: “Ach waren alle mensen wijs en deden daarbij wel, de aarde was een paradijs, nu is zij vaak een hel.” Wat Theo betreft is die hel niet onvermijdelijk. Hij wil geen pessimist zijn, mooie mensen en momenten zijn er ook. Hij houdt in gedachten dat wij mensen zelf uiteindelijk kunnen bepalen hoe het verder gaat.
Nijmegen, april 2026
