Ik ontmoet Tenjo (67) bij het inloophuis waar hij werkt en bezig is de vloer te dweilen. Hij begroet mij hartelijk en we raken aan de praat. Tenjo is een kleine, tengere man met een vrolijke en vriendelijke uitstraling, die meteen begint te vertellen.
“Als ik ’s ochtends heel vroeg de ramen van mijn jongenskamer opendeed, rook ik de frisse geuren van de jungle en groenten en fruitbomen uit de tuin van mijn ouders. Het was nog koud, ik zag de dauw, de vogels floten luid en de zon meldde: ‘Ik kom eraan.’”
Voor Tenjo voelt deze plek nog altijd als het paradijs.
Prachtige jeugd
Tenjo groeit op in Moengo, district Marowijne in Suriname, vlak bij de grens met Frans-Guyana. In de tuin van zijn ouders staan fruitbomen, amandelbomen en er worden groenten verbouwd. De omgeving is heuvelachtig. In de verte ligt de jungle en er stroomt een rivier.
Tenjo is de oudste van zes kinderen. Hij is de enige jongen in het gezin.
De moeder van Tenjo is Nederlands en zijn vader heeft Creools, Indiaans en Chinees bloed. De twee ontmoeten elkaar in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tenjo’s vader vecht mee in het Nederlandse leger. Na de oorlog vertrekt het stel samen naar Suriname. De vader van Tenjo werkt in de bauxietindustrie. Het gezin heeft het goed. Tenjo’s moeder gaat regelmatig voor langere perioden naar haar familie in Kampen. De kinderen gaan dan mee en volgen in Nederland ook gewoon lager en middelbaar onderwijs. “Dat ging zonder problemen. Het niveau op school was gelijk aan dat van de school in Suriname en we spraken Nederlands.”
Onder invloed
Op school gaat het redelijk ondanks het feit dat Tenjo regelmatig blowt. “Thuis studeerde ik nooit, maar tijdens de les kon ik mij goed focussen. De kennis die ik op school meekreeg was net genoeg om een voldoende te halen.”
De moeder van Tenjo merkt wel dat hij regelmatig onder invloed is. Zij vindt ook jointjes in zijn zak. Hij komt soms pas om vier uur ‘s nachts thuis en drinkt alcohol. Zij praat erover met de lerares van school. Die spreekt Tenjo aan, maar doordat hij zich in de klas als een beleefde jongen gedraagt, oplet tijdens de les en net voldoendes haalt, wordt er geen actie ondernomen. Tijdens het eindexamen is hij zwaar onder invloed maar behaalt toch het mavodiploma. Daarna behaalt hij het mbo-diploma voor werktuigbouwkundig tekenaar, voltooit hij een cursus technisch Engels en wordt hij gediplomeerd boekbinder.
Een vaste baan houdt hij maximaal drie jaar vol. Dan krijgt hij weer de drang om verder te gaan. Tenjo denkt dat hij maatschappelijk gezien meer had kunnen bereiken maar heeft geen spijt.
Vroeg volwassen
Amsterdam oefent een grote aantrekkingskracht uit op Tenjo. Eerst gaat hij daar altijd samen met zijn oom naartoe. Rond zijn middelbare schoolleeftijd gaat hij alleen. “Ik was al een beetje ‘rough’. Ik ben vroeg volwassen geworden.”
Zijn eerste joint rookt Tenjo als hij negen jaar is. Niet in Amsterdam maar in Suriname. Vlak bij de rivier wordt er gesmokkeld en zo komt Tenjo aan wiet. Tenjo benadrukt: “Mijn drugsgebruik had niks met stress of problemen te maken. Mijn vrienden gebruikten en ik deed mee. Zo rookten wij voordat we gingen voetballen eerst even een jointje.”
Rond de jaren ‘80 vestigt Tenjo zich definitief in Amsterdam. Op zeventienjarige leeftijd wordt hij voor het eerst vader. Hij krijgt een dochter en een zoon. Zijn ouders voeden zijn kinderen op. “Het zijn eigenlijk de kinderen van mijn ouders.”
Patta patta
Langzaamaan komt Tenjo door zijn drugsgebruik in een andere wereld terecht. “Ik deed mee met de ‘gang’. Het ging vanzelf. Ik ben een straatjongen. Ik houd van de straat. Ik dacht dat ik niet ouder dan 50 jaar zou worden door de manier waarop ik leefde, het drugsgebruik en de risico’s die dat met zich meebracht. Helaas kwam ik ook met justitie in aanraking.”
“Soms moet je jezelf verdedigen. Als mensen denken dat ze over mij heen kunnen lopen, maken ze een fatale fout. Op een dag deden we een kaartspel, Patta patta, een gokspel. Er lag serieus veel geld op tafel. Een van de deelnemers, een heel grote man, pakte mijn geld af. Ik riep: ‘Leg terug!’ Hij negeerde mij, deed zijn jasje open en ik zag wat glinsteren. Ik dacht: die man gaat een pistool pakken.” Tenjo schrikt en handelt in een flits; hij schakelt de man uit door een worp met zijn stiletto. De man raakt gewond. Tenjo vertelt dat in die tijd iedereen met een mes liep. “Geen aardappelmesje.” Zelf heeft hij in die tijd altijd een stiletto op zak.
Op een gegeven moment wil hij weg uit die wereld. Bang voor de gevaren, maar bovenal bang dat er iets met zijn familie zal gebeuren.
Mijn rijkdom
Tenjo zegt dat het belangrijk is om bezig te blijven om niet te ontsporen. Op dit moment werkt hij twee uur per dag bij het inloophuis. “Bezig zijn helpt mij om niet te stressen.” Daarnaast heeft hij de zorg op zich genomen voor Bengi, een hondje van wie het baasje is overleden. Bengi is al meer dan vijf jaar bij Tenjo.
Regelmatig gaat Tenjo een discussie aan met zichzelf. Hij wil zijn fouten onder ogen zien. “Er zijn veel kleine dingen die mij gelukkig maken. Dat mensen van mij houden, dat is mijn grootste geluk. Ik ben opgegroeid in een heel lieve familie. Gelukkig leeft mijn moeder nog. Zij is altijd in Suriname blijven wonen. Ik houd van mijn kinderen, mijn drie kleinkinderen en mijn zusjes.”
“Rijk zijn is hoe je je voelt, niet hoeveel miljoenen je hebt op je rekening. Mijn familie is mijn rijkdom. Als ik een probleem heb, kan ik bij mijn familie terecht. Ook al is het vier uur ‘s nachts, de deur gaat open! Dat zijn kleine dingen die eigenlijk heel groot zijn.”
De grootste wens van Tenjo is om zijn moeder nog eens te bezoeken.
Amsterdam, mei 2026
