Aan zijn lange haren kun je de hippie herkennen die hij was. Toch zou je Edward geen 64 geven. Rustig en bescheiden vertelt hij over zijn leven in Den Haag, Leiden en Engeland.
De afspraak met Edward laat twee weken op zich wachten, de accu van zijn scootmobiel heeft het begeven. We ontmoeten elkaar in een tijdelijke woning, zijn eigen woning wordt verbouwd. “We hadden muizen, alle gaten in huis worden gedicht en ik krijg een nieuwe vloer. Volgende week mag ik weer terug.” We praten in de woonkamer die hij met vier mannelijke huisgenoten deelt. Het oogt als de fusie in een studentenhuis, rommelig. Maar met een bank en twee stoelen.
Een noodlottig ongeval
Op 14 februari 1962 ziet Edward het levenslicht in het Haagse Westeindeziekenhuis. Hij is de op een na jongste in een gezin van zes, met vier zussen en een broer boven hem en een zusje onder hem. Edwards grootvader was uitgever van dagblad De Tijd. Een populair dagblad in Den Haag tot aan de Tweede Wereldoorlog en voorloper van HP/de Tijd. Hij heeft zijn opa nooit gekend, hij overleed tijdens de oorlog aan tyfus.
Edwards moeder is katholiek van huis uit, zijn vader atheïst. Edward groeit op in dit grote areligieuze gezin, met een liefdevolle moeder en een vader die vaak weg is. Hij is saxofonist en treedt veel op in Duitsland. Als hij vier jaar is, veroorzaakt zijn zusje een ongeval waardoor eerst de gordijnen en daarna het hele huis in de fik vliegen. Het gezin valt uit elkaar, er is geen huis beschikbaar voor zijn moeder en alle kinderen. Zijn jongste zusje blijft bij haar, zijn broer en zussen komen in tehuizen terecht. Edward heeft het geluk naar een pleeggezin te gaan, waar hij een nieuwe ‘pleegbroer’ krijgt. Hij heeft geen slechte herinneringen aan die jaren, maar het is een ander, meer bekrompen gezin. “Dat had ik als kind al door. Ze lazen geen boeken bijvoorbeeld. Bij ons thuis was het vrijer, er waren boeken, er was muziek. Mijn pleegvader vond mijn aanleg voor taal maar niks. Dat ik goed kon rekenen, dát vond hij belangrijk, maar daar had ik juist veel moeite mee.”
Als zijn ouders het schip weer vlot hebben getrokken, is Edward acht en mag hij weer naar huis. Hij ziet zijn familie dan voor het eerst terug. “Dat is denk ik de fijnste jeugdherinnering die ik heb. Dat ik weer naar huis mocht en samen was met mijn ouders en broer en zussen.”
“Met mijn vader kon ik wel goed opschieten, maar een vaderfiguur was hij niet. Op verjaardagen vertelden wij samen moppen, daar waren we allebei goed in. Maar mijn vader was ook zeer egocentrisch waardoor wij als kinderen kansen hebben gemist. Wij mochten geen muzikant worden zoals hij, terwijl mijn pianoleraar zei dat ik een absoluut gehoor heb.” Edwards broer en een zus zijn inmiddels overleden. Zijn jongste zusje zag hij nog wel eens tot haar partner een aantal jaar geleden overleed. Ze woont in Groningen.
Alles is één
Edward volgt eerst de mavo en eindigt op het gymnasium. “Ik was niet zo goed met autoriteit en zette me af in mijn pubertijd, waardoor ik op mijn vijftiende van school ben gestuurd. Ik was een hippie, hield van hardrock en symfonische rock. Het was de tijd van de nederwiet en de krakersscene. Daar kwam ik samen met mijn broer in terecht. We hadden allerlei baantjes, bij supermarkten, en ik verkocht piano’s. Met de opbrengst kochten we hasj en heroïne.”
Een grappige herinnering aan (destijds) de Haagse Koninginnenacht. “We zaten op straat te blowen met een clubje vrienden en Willem Alexander liep langs, toen nog kroonprins. Niet dat ik hem herkende. Hij stopte en we hadden een gesprek over wiet en mijn verstopte pijp. Die had hij zelf ook. Vervolgens nodigde hij ons uit mee te gaan naar het befaamde Haagse Muziekcafé de Paap. Willem Alexander, toen rond de twintig, was er vaste gast en als zijn gasten mochten wij er op zijn kosten de hele avond gratis drinken. Toen kwam ik er pas achter dat het de kroonprins was die ons had uitgenodigd. Ik heb het bij twee whisky’s gehouden.”
Minder leuk is dat Edwards tas diezelfde avond wordt gejat, met zijn spuiten, zijn schrijfsels en tarotkaarten. In die tijd schrijft Edward gedichten. Ook leest hij tarotkaarten en verdient daar geld mee. “Ik was me gaan verdiepen in theosofie en het occultisme. Ik las de boeken van Madame Blavastky, een Russische aristocrate en grondlegger van de theosofische beweging. Haar boek Isis ontsluierd (1877) is een filosofische benadering van wetenschap en religie en gaat over de universaliteit van het leven. Je bent een deel van de kosmos en je bent de kosmos. Alles is één. Lichaam en geest zijn één, massa en energie zijn één. Het was niet voor niets het lievelingsboek van Einstein.”
De juiste vraag
Als hij begin dertig is, heeft hij geen vast adres en woont hij bij vrienden. Hij verdient zijn geld op straat door tarotkaarten te lezen en vindt zo een vriendin. “Ze was vijftien jaar ouder dan ik en verpleegster in een hospice. In de tarotkaarten zag ik onder andere het einde van haar relatie en het begin van een nieuwe. Na twee weken kwam ze bij me terug, mijn voorspelling was uitgekomen, en wij kregen een relatie. Ik ging bij haar wonen en omdat ik toen een vaste verblijfplaats had, kon ik een uitkering aanvragen. Na een jaar ging het mis. “Ik gaf veel geld uit aan drank en drugs en toen zij haar familie aan mij wilde voorstellen, was ik compleet laveloos. De volgende dag wees ze me het gat van de deur. Ik kon het haar niet kwalijk nemen, het was mijn eigen schuld.”
De laatste keer dat hij tarotkaarten las, was vlak voor zijn moeder overleed. “Zij vroeg me of ze naar Indonesië zou gaan, haar grote wens. Ik zag in de kaarten dat dit niet zou gebeuren. Mijn moeder wist dat al, het was eigenlijk haar manier om haar dood aan te kondigen. Wanneer Edward weer in zijn eigen huis is, wil hij weer kaarten gaan leggen. “Ik zou wel willen weten hoe lang Trump nog president is. Niet al te lang, hoop ik. Ik ben geen fan van hem,” lacht Edward. “Zonder gekheid, kaarten lezen geeft mij inzicht en de antwoorden geven richting aan mijn leven. Het moeilijkste is het stellen van de juiste vraag.”
Tussen Leiden en Engeland
Om niet langer dakloos te zijn, gaat Edward naar Leiden waar hij in een slaaphuis een bed voor de hele winter kan krijgen. Hij leert er zijn vriendin M. kennen, een Hindoestaanse Engelse. Tien jaar zijn ze samen en af en aan woont Edward in Engeland. “Engeland is een prachtig land. We hebben in Wales gewoond, waar in de straat een watertap stond waar bronwater uitkwam.” Ook wonen ze in Ulverston, vlak tegen Schotland aan. Een prachtige omgeving met bossen, bergen en een binnenzee waar Edward en M. graag met de hond wandelen. Maar als hij in de bus zijn telefoon verliest en een sollicitatiegesprek mist, is het over. Zonder werk kan hij niet in Engeland blijven en hij moet zijn geliefde achterlaten, ze gaan als vrienden uit elkaar.
Inmiddels leeft Edward al jaren een rustig leven in Leiden. “Eerst woonde ik in het centrum van Leiden maar mijn buren hebben net zolang geklaagd bij de woningbouwvereniging tot ik daar weg moest. Ze hadden van alles last, bijvoorbeeld van mijn vrienden die ’s nachts hun fiets neerzetten in de steeg tegen hun slaapkamerraam. Die vrienden gebruikten, net als ikzelf.” Edward is nog steeds verslaafd, maar hij heeft een dak boven zijn hoofd, doet zijn eigen boodschapjes, heeft een ruime kamer met een grote tafel waar hij binnenkort zijn tarotkaarten op gaat leggen.
Een vrije geest
Edward denkt niet vaak na over de dood. “Je bent hier en nu. Dat is na de dood niet anders.” Hij is niet ontevreden over zijn leven, hij geeft het een zeven of acht. “Ik zou nog wel eens naar Engeland terug willen, de natuur in, Engeland is zo mooi. Ik ben nog niet helemaal ontwikkeld, er valt altijd wat te leren. Je kunt blijven groeien en je ziel polijsten. Ik ga ervan uit dat een ziel het beginsel is van een leven en dat die ziel er na de dood nog is. Het is energie die niet verloren gaat. Hoe weet ik niet, maar het gaat door. Ik geloof in oneindigheid en in een vrije geest, al lukt dat laatste ook zonder dood te zijn.”
“Als ik terugkijk op mijn leven heb ik geen spijt van wat ik niet of wel heb gedaan. Ja, misschien zou ik wat beter voor mijn gezondheid hebben kunnen zorgen. Ik loop slecht omdat de ader in mijn linkerdijbeen helemaal dichtgeslibd is. Zonder mijn scootmobiel kom ik niet ver. Alleen fysio helpt.”
Hoe hij herinnerd wil worden? “Als mens heb ik altijd geprobeerd anderen als gelijken te zien en met respect te behandelen. Ook heb ik me nooit méér gevoeld dan een ander. Ik hoop dat mensen niet kwaad zijn als ze aan me terugdenken, dat ik in hun belang heb gehandeld.”
Leiden, juni 2026
