Intro
De muren van de kamer waar de Nederlands-Hongaarse Árpad verblijft, zijn wit en kaal. De ruimte straalt een soort zakelijkheid uit. Hij zit in een stoel bij het raam terwijl hij aandachtig de Volkskrant leest. Na onze begroeting besluit hij op bed te gaan liggen. Hij wijst naar de rechterkant van zijn hoofd en zegt: “Ik heb hals-hoofdkanker”. Ik neem plaats schuin tegenover hem zodat hij mijn gezicht goed kan zien als ik hem vragen stel, want hij heeft last van doofheid.
Het grootste deel van zijn jeugd brengt Árpad door in weeshuizen. Daarna maakt hij carrière als advertentieschrijver- en verkoper, reist de wereld rond, overleeft twee zware ongelukken en krijgt de diagnose bipolaire stoornis. Deze man is niet kapot te krijgen.
Armoede en zonnekleppen
Árpad oogt als iemand van zestig jaar. In werkelijkheid nadert hij de tachtig. Hij wordt in 1947 geboren in Amsterdam-West als zoon van een Nederlandse vader en een Hongaarse moeder. Later wordt er nog een zusje geboren, het achtste kind. “We kregen allemaal een Hongaarse voornaam. Er is een beroemd boek over mij geschreven: Árpad de zigeuner. Ik pronkte daar vroeger wel eens mee, want Árpad zou de stichter van het huidige Hongarije geweest zijn.”
Iedereen is dol op zijn moeder, zij is huisvrouw. Zijn vader is een ‘selfmade man’ en afkomstig uit een vermogende familie. Hij ontwerpt speciale zonnekleppen voor motorrijders. “Zijn handel liep gesmeerd.” En op zachtere toon: “Mijn vader was zwaar communist. Op straat werd hij uitgescholden. En wij ook.” Josef Stalin is de grote held van zijn vader. “Bij ons thuis ging altijd de rode vlag uit.” Zijn vader kan niet met geld omgaan en het gezin lijdt onder armoede en er is weinig te eten. Als klein en mager kind verblijft Árpad zes weken in Soest in een koloniehuis om aan te sterken. Hij wordt elke dag gewogen. “Ik moest liters en liters melk drinken, en lever eten.” Hij gruwt er nog van.
Uit huis gezet
Árpad vertelt verder. “Overal maakte mijn vader schulden, bij leveranciers en bij de kruidenier. Mijn moeder praatte alles goed. Op een gegeven moment werden we door de politie uit huis gehaald, vertelt hij met geheven wijsvinger en een doordringende blik in zijn blauwe ogen. Alle kinderen worden in tehuizen geplaatst. Árpad komt met zijn broer terecht in twee verschillende weeshuizen in Amsterdam. “De leidsters waren zeer streng, strenger dan kerels. En de jongens hadden het gemunt op de jonge leidsters.”
Vader op drift
Begin jaren vijftig sterft zijn moeder vroegtijdig aan darmkanker, zijn vader raakt de kluts kwijt. Hij krijgt driftaanvallen, wordt opstandig en onredelijk. Árpad spreekt heel zachtjes: “Hij pleegde incest met mijn drie zusters.” Er wordt aangifte gedaan tegen zijn vader. Árpad is dan twaalf jaar oud. “Ondanks alles kon ik erg goed met mijn vader opschieten. Ik denk dat ik op hem lijk. Hij was geen slecht mens. Maar ik ben tegen incest. Voor mijn zussen was de incest verschrikkelijk. Mijn vader bedwelmde ze met ether.” Het gezin valt nu helemaal uit elkaar, zijn vader gaat voor twee jaar naar de gevangenis. “Het was daar verschrikkelijk.” Ook Árpad lijdt onder de situatie. Officieel weet hij niets over zijn vaders schulden en de incest.
Acquisitie en joodse humor
Árpad volgt de mulo en krijgt bij het Parool zijn eerste baan als piepjonge leerling-advertentieverkoper. Hij blijkt een groot talent te hebben voor het schrijven van advertenties. Daarna krijgt hij een baan bij een acquisitiebureau, een soort verkoopbureau van advertenties, en daar klikt het heel goed. “Het werd een groot succes. Ik kreeg andere banen en leerde goed organiseren.” Hij verdient veel geld bij uitgeverijen, onder andere bij de Koninklijke Tijl BV in Zwolle en bij het Nieuw Israëlitisch Weekblad. “Ik denk weleens dat mijn vader joods was. Dat is nooit bevestigd. Maar ik hou van Joodse humor. Ik ben ook fan van Ischa Meijer.” Zijn vader overlijdt op 45-jarige leeftijd.
Het verleden ontvluchten
Árpad wil reizen om het verleden en Nederland te ontvluchten, maar in Italië gaat het mis. Met zijn Fiat Cinquecento raakt hij op een bergweg in een slip, slaat drie keer over de kop en belandt letterlijk op de rand van een afgrond, op een centimeter na. “Ik vroeg me toen af wat ik verder met mijn leven aan moest.” Hij besluit te emigreren naar Australië maar dat valt hem erg tegen. “Het was daar walgelijk. Alles was er strak, streng en ouderwets. Ik kreeg ordinaire heimwee.” Toch reist hij verder naar India en Nepal.
Vooral India ligt hem goed. “Daar zijn de mensen heel prettig, ze spreken goed Engels en zijn educatief ingesteld.” De armoede in deze landen grijpt hem niet naar de keel. “Ik weet immers zelf wat het betekent om geen geld en eten te hebben.” Hij sluit vriendschap met een Indiase arts, zijn grootste vriend in Nepal. “Hij had daar een kliniekje voor buitenlanders. Samen speelden we cricket. Maar het belangrijkste was dat hij mij technieken leerde om rustiger te worden. Dat hielp mij enorm.“ Opnieuw krijgt Árpad een ongeluk. “Toen ik met de motor ten val kwam, heeft hij geholpen. Mijn linkervoet was helemaal kapot. Er volgde een operatie met vier schroeven die afkomstig waren uit een lokale ijzerwinkel.” Hij barst in lachen uit. De voet heelt op miraculeuze wijze.
Diagnose
“Ik had een tic met mobieltjes.” In Nepal koopt hij zonder nadenken zestien goedkope mobieltjes. In zijn beleving is dat heel logisch. “Ik was daar manager van een hotel en wilde dat de 16 medewerkers allemaal goed bereikbaar waren.” Later is dit in Amsterdam een indicatie voor de diagnose bipolaire stoornis type 2, stemmingswisselingen zonder psychoses. Hij handelt vanuit opwellingen, zonder nadenken. Árpad denkt dat zijn stoornis ook een voordeel heeft: “Ik was een geweldig goede verkoper, ik kon al mijn fantasieën inzetten om mensen over te halen om iets te kopen. Dat is het. Je kunt je goed verplaatsen in een ander.” Het grote nadeel is dat hij dankzij zijn impulsieve gedrag veel geld verliest en daardoor in de problemen raakt. “Net als mijn vader. Ze zeiden altijd al tegen me dat ik zijn kant zou opgaan.” Hierna stopt hij met de internationale reizen. Hij heeft geen contact meer met zijn vriend.
Breuk
Op een keer wordt Árpad uitgenodigd om in een televisie-uitzending over de verbouwing van het weeshuis, te vertellen over hoe het daar vroeger was en waarom hij daar verbleef. Hij vertelt ook dat zijn vader heeft vastgezeten. “Dat heeft een breuk veroorzaakt in de familie. Mijn zuster vond het schandelijk dat ik dat vertelde. Maar ik was er gewoon eerlijk over.” Sindsdien wil zij niet meer dat hij bij haar thuis komt. Hij weet niet meer welke familieleden nog in leven zijn. “Maar de waarheid spreken, dat is belangrijk.”
De grootste klap en het meest bijzondere
De grootste klap in zijn leven is de dood van zijn broer die sterft aan een bloedprop in zijn hoofd. Hij denkt terug aan hun gezamenlijke jeugd in de weeshuizen, aan de schaats- en zwempartijen, de reizen die ze samen maakten. Ook de dood van zijn vader maakt veel indruk op hem. “Ik mis ze maar ik heb van mijn leven gemaakt wat ervan te maken viel onder de gegeven omstandigheden.”
Árpad had veel vrienden en kennissen. Hij had alleen korte relaties en laat geen kinderen na. “Het was geen slecht leven en ook geen perfect leven. Want ik was om en om euforisch of depressief.” Hij heeft zijn testament laten opmaken. Hij weet: “De dood zelf zal ik niet meemaken. De dosering van de pijnstillers wordt telkens verhoogd. Totdat ik uiteindelijk in slaap wordt gebracht.”
Terugkijkend op zijn verblijven in India en Nepal zegt hij dat de lijkverbrandingen aan de oevers van de Ganges het meest bijzondere zijn wat hij ooit in zijn leven heeft gezien. De muziek, de opvoeringen met brandende kandelaars erbij, de gezangen. “Ik dacht dat ik in de hemel was.”
Amsterdam, juli 2026
