Na een lastige jeugd staat Wilma (76) vol in het leven. Ze richt een vrouwenboekhandel op en runt tien jaar lang een restaurant, samen met haar grote liefde. Gezondheidsproblemen maken daar een eind aan. Nu is ze aan een nieuwe periode begonnen in een woonzorgcentrum. Met hulp van Stichting Present is ze al aardig op haar plek daar, hoewel de muren nog wel kaal zijn. Ze zit er fleurig gekleed bij als ik naar haar levensverhaal kom luisteren. Naast haar staan haar onmisbare krukken.
Geen onbezorgde jeugd
Wilma groeit op in Leiden en woont daar nog steeds. “Mijn vader was een rustige man,” vertelt ze. “Hij was grossier in snoep en suikerwaren, hij ging langs de winkels om zijn waar te verkopen.” Wilma heeft een goede band met hem en kan goed met hem praten. Over haar moeder vertelt ze: “Mijn moeder was zenuwpatiënt. Ze kon weinig hebben, was erg op zichzelf gericht en had veel rust nodig.” Wilma moet veel op haar kleine zusje passen en haar naar school brengen. Dat vindt ze vreselijk en haar zusje vindt dat ook niet leuk. Het heeft een blijvende stempel op hun verhouding gedrukt.
“Toen ik oud genoeg was, ging ik bij de Hema werken in de vakantie. Bij de afdeling bh’s en korsetten. Zo kon ik ontsnappen aan het oppassen.” Ook met haar moeder houdt ze een moeizame verhouding. Haar moeders reactie toen ze vertelde dat ze was aangerand door een bekende, vijftien jaar oud, helpt ook niet mee: “Fijn dat je het zegt, voor het geval dat hij ook iets bij mij probeert te doen.” Geen arm om Wilma heen, of een woord van troost.
Vrouwenboekhandel in Leiden
Na de lagere school wil Wilma naar de hbs, maar haar ouders vinden de mulo geschikter. Daarna gaat ze naar de kweekschool. Ze stopt voortijdig, ze ziet het onderwijs toch niet zitten. Vervolgens gaat ze bij een boekhandel werken en haalt daar haar vakdiploma’s. Zodoende kan ze met een aantal vrouwen de eerste vrouwenboekhandel Gaia in Leiden oprichten. Ook start ze met andere vrouwen een aantal praatgroepen. “We spraken veel over de man-vrouw verhouding, en dat het huishouden net zo hard werken is als een baan buitenshuis. Het ging over de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw.” Wilma is namelijk een overtuigd feminist. “Maar niet radicaal hoor. Ik werd een keer berispt door andere vrouwen, omdat ik een man in onze boekhandel koffie aanbood. Een MAN, dat kon echt niet.” Het is in de jaren zeventig en tachtig, een tijd van veel vrijheid en tolerantie.
Wilma heeft inmiddels ontdekt dat ze op vrouwen valt. Haar oma zag het al: “Wilma vindt vriendinnen aardiger.” Haar ouders hebben er geen moeite mee dat ze lesbisch is. Haar moeder heeft zelfs een keer een bridgevriend het huis uitgezet, omdat hij zich negatief uitliet over homo’s. Overigens kwam die vriend een dag later z’n excuses aanbieden met een bos bloemen.
Gelukkig in de liefde
Haar grote liefde J. leert ze kennen in de kroeg. Ze hebben het heel fijn samen en wonen 45 jaar samen. J. is tien jaar ouder en heeft een zoon en dochter uit een vorige relatie. Ze doen veel leuke dingen samen, naar het theater, musea, de film en ze maken veel reizen. Wilma: “Ik rijd dan altijd, want J. heeft geen rijbewijs. En dat is maar goed ook. Ze ziet van alles onderweg en let dan helemaal niet op. We zijn een keer onderweg van Tsjechië naar Duitsland en blijken opeens in Polen te rijden!”
Eigen restaurant
Nadat Wilma ook nog een tijd bij de spoorwegen heeft gewerkt als assistent-verkeersleider, begint ze een nieuwe loopbaan. Samen met J. start ze een restaurant. Ze wonen boven de zaak. Het is Hollands wat de pot schaft, ook vegetarische gerechten staan op het menu. Dat is dan nog niet zo gebruikelijk. “Leuk is dat er ook regelmatig artiesten komen eten, voordat ze moeten optreden in de Leidse Schouwburg. Bijvoorbeeld Paul van Vliet en Loes Luca zijn regelmatige gasten. Het is wel zwaar en hard werken. We raken in die tijd ook vrienden kwijt omdat we in een heel ander ritme leven.”
Na tien jaar stoppen ze met het restaurant. Wilma is dan al een tijdje afgekeurd vanwege artrose en fibromyalgie en ook J. heeft gezondheidsproblemen. Ze verhuizen, gaan veel reizen en nemen ook vaak de vier kleinkinderen van J. mee op stap.
Pittige tijden
Op een gegeven moment krijgt J. geheugenproblemen. Ze blijkt de ziekte van Alzheimer te hebben. De situatie wordt lastig, wanneer Wilma wordt opgenomen voor revalidatie. J. mag mee, omdat ze niet alleen thuis kan blijven. Het wordt onhoudbaar wanneer zij daar ‘s nachts gaat rondspoken. Met veel verdriet wordt besloten dat J. naar het verpleeghuis moet verhuizen. Daar breekt ze haar heup. “Ik word gebeld, en moet binnen tien minuten beslissen of ze geopereerd moet worden. Het alternatief is dat ze zal versterven. Haar zoon laat de keuze aan mij. Met een vriendin ga ik kijken hoe ze eraan toe is. Ze is vrij helder en heeft volop praatjes. Daarom besluit ik voor een operatie te gaan. Later gaat ze toch achteruit, ze wordt bedlegerig en komt te overlijden.”
Een nieuwe plek
Omdat haar huis nu te groot werd voor haar alleen, woont ze sinds kort in een woonzorgcentrum. “Ons huis stond vol boeken, daar heb ik nu geen plaats meer voor. Die zijn allemaal naar de kringloop gegaan. Ook heb ik vier vuilniszakken vol met foto’s weggegooid. Vooral veel landschapsfoto’s van onze reizen.” Wilma heeft krukken nodig om zich in huis te bewegen. Voor buiten heeft ze een scootmobiel. Door haar artrose wordt het echter steeds lastiger om die te bedienen. Haar auto heeft ze al eerder van de hand moeten doen.
Er moet nog wel het een en ander gebeuren in huis, maar daar heeft ze hulp bij nodig. Verder kijkt ze graag sport op tv, leest ze thrillers, en krijgt ze af en toe bezoek. Vooral een kleindochter van J. komt met regelmaat. Met de andere familieleden heeft ze weinig contact. “J. zei altijd: ‘Wat je zaait, zul je oogsten.’ Daar heb ik altijd mijn twijfels bij gehad.”
Geen kiekeboe spelen
Haar tijd samen met J. is zonder meer de gelukkigste periode van haar leven. Haar overlijden is dan ook het meest ingrijpende dat ze heeft meegemaakt. Wilma vindt het leven wel moeilijk. Dat voert vooral terug op de moeizame relatie met haar moeder, en dat ze zo jong al moedertje moest spelen. Het draaide altijd om moeder. Ze heeft er ook wel aan gedacht om het contact met haar moeder te verbreken. J. stelde voor om het contact aan te houden maar wel te beperken, en dat hebben ze gedaan. Ook haar gezondheidsklachten maken het leven zwaar, inmiddels heeft ze dertig operaties ondergaan, en heeft ze altijd pijn. Ze houdt graag de regie over haar levenseinde: “Ik draag een niet-reanimeren penning en heb gesprekken gevoerd met de huisarts over euthanasie.”
De tijden zijn wel veranderd, merkt Wilma. De mensen zijn minder tolerant dan in de jaren zeventig en tachtig. Als Wilma aan de koffie in een revalidatiecentrum vertelt dat haar vriendin is overleden, reageert een vrouw: “Ik heb ook een vriendin verloren, geen levenspartner, maar een vriendin.” Later stoot ze Wilma aan en zegt: “Ik begrijp het hoor, jullie zijn ook mensen.” Dit kwetste Wilma diep. Maar ze wil geen kiekeboe spelen. “Ik besluit dat ik nooit weer naar een revalidatiecentrum ga, dan liever euthanasie.”
Levensmotto
Wilma heeft een hekel aan betuttelen, geef elkaar de ruimte. Dat is haar levensmotto. Zo bepaalde haar moeder of haar vader wel of niet een taartje mocht. Hij had een hartinfarct gehad en had aanleg om dikker te worden. Wilma: “Laat hem dat zelf beslissen!”
Leiden, juli 2026
