Fout, goed en anders denken over de man-vrouw verhouding.

Opgetekend door: Roely Smit

Het levensverhaal van Aart

Als een rode draad loopt zijn visie op de man-vrouw verhouding door zijn leven. Een visie waarvoor hij nooit erkenning heeft gekregen in de kerkelijke wereld. 


Het gezin en zijn kinderjaren 

Ik ontmoet de 87-jarige Aart (geboren 9 augustus 1938) in zijn flat waar hij zelfstandig woont. Hij loopt met een rollator en zijn gehoor is ook niet meer optimaal. Wat meteen opvalt in zijn kamer zijn de vele spullen, vooral heel veel boeken en aan de muren veel schilderijen. 

Aart vertelt graag over zijn leven. Hij is geboren in Leidschendam als derde in een gezin van uiteindelijk tien kinderen. Hij verhuisde al jong naar Delft en daarna naar Pijnacker. Zijn vroegste herinnering in Delft is dat er parachutisten naar beneden kwamen toen de oorlog begon. “Ik was nog geen twee jaar en zat in de kinderstoel.” Ook herinnert hij zich dat hij op zijn zesde verjaardag met zijn broer en zus naar het zwembad ging en door een spelletje van zijn zus zo de sloot in liep. “Ik dacht dat ik doodging, maar het lukte me toch om te gaan staan, maar ik kon de wal niet opklimmen. Een chauffeur van een vrachtwagen heeft me eruit gehaald en ons naar huis gebracht.” 

Hij heeft het gezin als hecht ervaren en ze waren altijd bezig. Het was heftig dat zijn vader ‘fout’ was in de oorlog. Hij vocht met de Duitsers mee als soldaat in Oekraïne. Hij kwam af en toe thuis. “Eind ’44 zijn we, net als heel veel ‘foute’ Nederlanders, gevlucht naar Duitsland. Mijn moeder was toen in verwachting van het zevende kind, mijn zusje dat daar is geboren. We zaten op een boerderij en vermaakten ons prima. Mijn vader kwam soms langs vanuit Oekraïne. We hadden naar school moeten gaan, maar m’n moeder wilde dat niet, want dan behoorde je tot de Hitlerjugend.” Er woonden ook krijgsgevangenen op de boerderij. Aart kent nog alle namen. “Daar ben ik Europeaan geworden door de omgang met alle verschillende nationaliteiten. “  

Na de bevrijding 

Na de bevrijding kwamen ze als vluchteling terug in Nederland en werden in een kamp voor ‘foute’ mensen gestopt, ergens in Drenthe. Ze werden bewaakt door de Binnenlandse Strijdkrachten. “Wij, de drie oudste kinderen, gingen naar een ander kamp met wel meer dan honderd kinderen. We moesten heropgevoed worden, maar daar was geen beginnen aan met zoveel kinderen. Na een paar maanden werden we opeens opgehaald door drie ooms en werden we bij verschillende familieleden ondergebracht. Zij verweten ons niets. Ik ging in m’n eentje naar een oom en tante in Utrecht. Mijn oom was leraar en hij heeft mij leren lezen en rekenen. Ook ging ik daar naar school.” 

Na ongeveer negen maanden werd het gezin weer met elkaar herenigd. Ze kregen een boerderijtje buiten het dorp Pijnacker. Vader had vastgezeten, maar was ook weer vrij. Aart kwam in dezelfde klas als zijn broer en zus, maar die waren nog nooit naar school geweest. Ze werden enorm uitgescholden door de andere kinderen. Een tante nam het voor hen op en ging naar de bovenmeester. “Dat gescheld moet eens uit zijn,” zei ze. En toen was het over. Zijn vader werd tuindersknecht. Hij leefde voor zijn plantjes en daarnaast schilderde hij ook verdienstelijk. 
Er hangen meerdere schilderijen van hem in de kamer. 

Toekomstwens: zendeling worden 

De meester in klas zes kon prachtig vertellen over Jesaja, het verhaal van de zending. “Hij bracht me op het idee om zendeling te worden en daar kon de familie wel achter staan. Een tante zorgde ervoor dat ik naar het Marnix Gymnasium ging in Rotterdam. De twee laatste klassen deed ik op het Lyceum in Doorn waar ik in het internaat woonde van het Hervormd opleidingscentrum. Jongens die dominee wilden worden uit milieus die niet zo dominee-achtig waren, werden daar bijgeschoold. Op mijn fiets naar Doorn, mijn moeder was in tranen.” 

“Na mijn diploma adviseerde de directeur van het internaat om eerst te gaan werken. Zo kwam ik in een chemische fabriek in Mainz terecht om te leren hoe om te gaan met arbeiders. Ook ging ik met het vliegtuig naar Berlijn, waar ik kennis maakte met Oost-Duitsers. Voor mijn gevoel was het daar wel een beetje een dictatuur. Terug in Nederland ging ik naar de universiteit in Amsterdam theologie studeren. Ik bouwde daar mijn eigen leven op. Wel ging ik in de vakanties naar huis.”  

Verliefd en de verhouding tussen man en vrouw 

In Doorn werd Aart verliefd op een meisje. “Het was een droom, dat ik met haar aan het vrijen was in de natuur. De hele natuur juichte mee en de bomen klapten in hun handen. Ik was één met de natuur. Dat gevoel is me altijd bijgebleven. Ik zag haar dagelijks, het waren heerlijke jaren. Maar ik kon in die tijd mijn verliefdheid niet te veel laten blijken.” Later besefte Aart dat hij iets met die verliefdheid moest doen. “Ik fietste naar Doorn en kwam haar weer tegen. In plaats van dat ik afstapte en kennis met haar maakte, kreeg ik een stem in mijn hoofd: ‘Rij door!’ Toen was het voorbij; ik was kapot.” 

“Ik was toen al bezig met de man-vrouwverhouding in de kerk. Dat is ook mijn hoofdonderwerp gebleven tijdens de studie theologie. De Bijbel ziet de verhouding man-vrouw als een verbond van twee mensen in liefde en gelijkheid, in navolging van God. Dus niet de man gaat voor en de vrouw moet volgen, zoals de kerkelijke traditie die ziet. Theologen waren het daar niet mee eens, maar gingen er ook niet op in. En dat is altijd zo gebleven.”  

Studie en werken  

Na zijn kerkelijke examen kon Aart dominee worden of nog zijn doctoraal doen. Eén professor stond wel open voor zijn visies, maar deze man overleed. Toen de studiebeurs op was, is hij gaan werken als nachtdienst in een jongenshuis. Later werkte hij bij de computerdivisie van Philips. Hij had het wel naar de zin, hij moest ook producten keuren bij fabrieken in Frankrijk en België. En hij werd secretaris van de Ondernemingsraad die veel bereikte wat betreft medezeggenschap. Daarnaast schreef hij een boek over zijn visie wat betreft de man-vrouw verhouding in het Oude en Nieuwe Testament van de Bijbel. 

Later kreeg hij een baan bij de operators, maar door de opkomst van de automatisering werd deze afdeling overbodig. Aart kreeg bij zijn ontslag twee jaarsalarissen mee en kon daarmee zijn doctoraalstudie en zijn boek afmaken. Maar zijn papiertje kreeg hij niet: “Ze waren het gewoon niet met mijn eindscriptie eens. Toen heb ik een tijdje in de bijstand gezeten totdat ik een Melkertbaan kon krijgen op de school van het jongenshuis. Ik heb toen tien jaar, tot aan mijn pensioen, lessen geschreven voor alle richtingen.“ Desgevraagd vertelt hij dat hij nooit een relatie heeft gehad. 

Hobby’s, contacten en belangrijke gebeurtenissen 

Aart heeft veel belangstelling voor kunst en ging veel naar musea. Nu gaat dat niet meer vanwege zijn lichamelijke beperkingen. Ook verzamelde hij kunst. Veel schilderijen in zijn woonkamer zijn geschilderd door familieleden. Hij zorgde er ook voor dat de prijs die zijn zus won met papierkunst, werd opgenomen in de sieradencollectie van CODA, het museum in Apeldoorn. 

Contacten met broers en zussen heeft hij altijd gehouden, nu via de familieapp. Inmiddels is een aantal van hen overleden. Vorig jaar heeft Aart een tijd in het ziekenhuis gelegen, omdat hij bewusteloos was geraakt door te lage bloedsuikers. “Ik moet goed en regelmatig eten en dat gaat nu goed.” In de kerk komt hij niet meer, hij volgt nu de diensten via de computer. Zijn buren helpen hem als dat nodig is, ze brengen hem naar het ziekenhuis of naar de audicien. 

De mooiste perioden in zijn leven waren in Doorn en de studietijd in Amsterdam. 
“Maar ik had bepaalde ideeën die niet lekker lagen in de maatschappij, alhoewel ik het idee heb dat daar nu meer aandacht voor is.” Hij heeft veel nagedacht over het feit dat zijn ouders in de Tweede Wereldoorlog ‘fout’ waren en de meeste Nederlanders ‘goed’. Hij zegt hierover: “HAAT maakt een mens tot het negatief van de mens die hij haat.” Als voorbeeld noemt hij de heren Trump en Wilders. Deze waren goed maar zijn ondertussen het negatief geworden van de mensen die fout waren. Ook heeft hij kritiek op de Nederlanders, die vonden dat ze ‘goed’ deden in Indonesië en alle gebeurtenissen met de Molukkers.  

Over zijn huidige situatie zegt hij: “Ik geef het leven een zes want ik houd het nu net vol. Jammer dat er geen bejaardenhuizen meer zijn, daar zou ik wel naartoe willen. Ik ben nog te goed voor een verzorgingshuis.” Als hij mensen wat wil meegeven dan is het dat er in de kerk anders over de man-vrouw verhouding gedacht moet worden. Ideaal is volledige gelijkwaardigheid van man en vrouw.” 

Apeldoorn, augustus 2026 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *