Paramaribo
Armand (geboren op 22 februari 1957) was negen jaar toen hij van Paramaribo naar Nederland verhuisde. Hij had al veel meegemaakt. Met zijn moeder, broertjes en zusjes woonde hij in bij zijn oma. Later gingen zij apart wonen, maar het ging niet goed met moeder. Volgens Armand was zij behekst door Winti-geesten. Mensen hadden een voorwerp naar haar hoofd gegooid, dat eigenlijk bedoeld was voor zijn oma. Zij kreeg maagpijn en last van haar rug. Ook had zij allerlei waanbeelden. Zij kon niet voor haar kinderen zorgen. Ze werd agressief en sloeg haar kinderen. Toen Armand zes jaar was heeft zijn oma hem bij zich genomen. “Je krijgt hem nooit meer terug,” had zij tegen zijn moeder gezegd. Later zijn ook zijn broers en zussen een voor een weggelopen. Zij kwamen in tehuizen terecht.
Familiegoud
Als kind was Armand omringd door mysteries, bijvoorbeeld over familiegoud dat onbereikbaar was. Die kwestie houdt Armand nog steeds bezig. Het is het eerste verhaal dat hij mij vertelt. “Het goud is van oma, zij heeft het gekregen uit Gods hand. Zij wilde het gebruiken om de eerste president van Suriname te helpen het land weer op te bouwen. Maar dat is niet gebeurd. Vier mannen wilden het geld stelen. Ik kende ze wel, maar het is moeilijk voor mij om daarover te vertellen. Mijn oma heeft gekozen voor drie buitenstaanders, om te kijken hoe dat goud in zijn geheel goed kan blijven.” Nog altijd zitten er mensen achter het goud aan.
Nederland
In Nederland ging Armand bij zijn oma in Spangen, Rotterdam, wonen. Zijn moeder woonde met haar andere kinderen in Zaandam. Armand ging naar de vierde klas van de basisschool. “Veel te makkelijk, ik had alles al geleerd.” Helaas overleed oma toen Armand dertien was. Hij moest weer terug naar zijn moeder. Dat was beroerd. Zijn moeder was inmiddels hertrouwd en had nog twee kinderen gekregen. Armand moest voor de kinderen en het huishouden zorgen en ook nog de boodschappen doen. Als hij wilde voetballen, kon dat niet. Gelukkig had hij via een meisje op school een Nederlandse familie leren kennen. Armand liep in die tijd veel weg. Dan ging hij naar zijn tante in Rotterdam. De moeder van de Nederlandse familie zei tegen hem: “Als je nou weer wegloopt, ga dan niet naar Rotterdam, maar kom naar ons.” Zo is hij bij deze familie komen wonen. Dat is zijn geluk geweest.
Adoptiefamilie
“Aan hen heb ik zo veel te danken,” zegt Armand over de familie die hem heeft geadopteerd. Hij maakte de mavo af. Na de middelbare school ging hij met zijn “blanke broer” T. naar de politieschool in Amersfoort. Beiden hebben de school afgemaakt, maar anders dan zijn broer werd hij geen politieagent. “Er was veel discriminatie. Tijdens een sollicitatiegesprek vroegen ze wat ik zou doen als mijn vader of moeder in overtreding zou gaan. Het juiste antwoord was: Dan laat ik het aan een collega over. Maar dat zou ik nooit kunnen.” Dus werd hij geen politieagent.
Armand ging op professioneel niveau voetballen. In die tijd is hij ook met een Surinaams elftal naar Suriname gegaan om tegen de lokale clubs te spelen. Voetballen was zijn lust en zijn leven. Het was een drukke tijd. ’s Morgens werkte hij bij een Zaans bedrijf waar hij het transport van witgoed verzorgde. Zwaar werk, zo’n wasmachine naar driehoog sjouwen, maar zijn conditie was uitstekend. ’s Middags ging hij trainen en dan studeerde hij daarnaast ook nog.
Helaas moest Armand stoppen met voetbal nadat hij voor de tweede keer keihard tegen zijn knie was geschopt. Twee keer heeft hij een zware operatie gehad. Na de eerste trap kon hij door langdurig hard trainen weer terug naar het voetbalveld. De tweede keer, een paar jaar later, lukte dat niet meer. Na de operaties heeft zijn adoptiemoeder, die homeopaat is, hem behandeld. Ook is hij bij een Winti-genezer geweest. Het hielp allemaal wel, maar voetballen kon hij niet meer. Armand vertelt dat de mannen die het familiegoud wilden hebben hierachter zaten. “Zij wilden me kapot hebben.”
Werk
Gesteund door zijn adoptiefamilie, en voor een deel met geld dat hij zelf verdiende, studeerde Armand cultureel werk. Hij heeft daarna zeven jaar als straathoekwerker in Zaandam gewerkt. Samen met zijn collega N. die hem enorm heeft gestimuleerd.
Armand nam afscheid van het straathoekwerk omdat hij door een Surinaamse stichting werd gevraagd om daar te komen werken. Dat deed hij graag. Het was mooi werk. Surinamers die vanwege de onafhankelijkheid naar Nederland kwamen, hielp hij verder om hier hun weg te vinden. Ze kregen veel subsidie van de gemeente. Na vijf jaar is hij daar vertrokken omdat hij de corruptie en vriendjespolitiek die schering en inslag waren, niet meer wilde accepteren. “Glimmen en glunderen,” zo karakteriseert hij de werkcultuur bij deze organisatie. “We hadden zulke mooie dingen kunnen doen, maar veel geld verdween in de eigen zakken.” Dat was een grote teleurstelling. Daarna heeft Armand niet meer in de hulpverlening gewerkt. Wel bleef hij bezig met allerlei activiteiten voor en door Surinamers. Hij organiseerde bijvoorbeeld Kwaku en Kaboela (Surinaamse dans). Ook was hij werkzaam voor een Surinaamse financiële instelling.
Armand heeft in zijn leven veel verschillende banen gehad. Hij is niet het type om bij de pakken neer te gaan zitten en houdt van werken. Nadat hij zijn boekhouddiploma had behaald, heeft hij als boekhouder gewerkt. Ook heeft hij via zijn adoptievader een baan gehad als conciërge op de school waar hij zelf zijn mavo had gehaald. Zijn adoptievader was daar zelf ook conciërge geweest.
De laatste dertien jaar van zijn werkzaam bestaan werkte Armand in de bouw. Hij hield zich bezig met het plaatsen van puien en het uitvoeren van voegwerk. Tenslotte werd hij voorman. Hij kreeg een eigen bus waarmee hij ’s morgens rond vijf uur de werkers op ging halen. Polen, Bulgaren, Koerden, de mensen kwamen overal vandaan. Zij maakten hele lange dagen, want ze hadden veel werk nodig. Vaak was hij pas om twee uur ’s nachts thuis. Dan ging hij even relaxen, koffiedrinken en zich opfrissen voor hij aan zijn volgende werkdag begon. Hij kon toe met weinig slaap.
Vrouwen en kinderen
Werk is voor Armand altijd belangrijker geweest dan een familieleven. Hij kan niet zonder. Hij heeft het nodig om in de maatschappij en in conditie te blijven. Het ergste moment van zijn leven was toen hij werd afgekeurd. Familie, zowel broers en zussen als zijn eigen kinderen, kwamen op de tweede plaats.
Toch heeft Armand negen kinderen bij drie verschillende vrouwen. Zijn eerste twee vrouwen, beiden Surinaams, hebben hem zwaar teleurgesteld. “Zij waren wel erg zakelijk ingesteld. Dure kleren kopen en uit dansen gaan met andere mannen.”
Met zijn derde vrouw, een blanke vrouw, is hij nog steeds samen. Af en toe logeert hij met haar in het huis van zijn moeder. Daar woont nu zijn broer. Moeder is dement en zit in een instelling in Haarlem. Maar Armand heeft in het ‘ouderlijk huis’ een eigen kamer waar hij met zijn vrouw en soms ook met zijn kinderen kan zijn. Zelf woont hij al dertig jaar in een maatschappelijke opvang. Het laatste jaar is hij van Zaandam naar zijn huidige plek in Amsterdam verhuisd. In Zaandam was het te onrustig voor hem, omdat hij steeds het gevoel had dat hij werd achtervolgd. Hij werd helemaal gek van de stemmen in zijn hoofd en dacht er zelfs over om eruit te stappen.
Zijn vrouw en sommige van zijn kinderen ziet Armand nog regelmatig. Zijn adoptieouders zijn helaas overleden.
Amsterdam, juli 2026
