Sterven en dan naamloos begraven worden. Kán dat in Nederland? Het overkwam meneer Maho Gurdjieff. In april 2019 overleed Maho – of Marko, zoals Nederlandse vrienden hem ook wel noemden – op 64-jarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker. ‘Zo wij hem kennen’, stond er op de afscheidskaart. En onder zijn foto stond geschreven:
I’m not a beggar, I’m not the king,
riches that I have, you’ll never see,
for me the money comes and goes,
what I’ve been given, nobody knows
Meneer Gurdjieff was ‘ongedocumenteerd’; hij had geen verblijfsstatus en geen vast woonadres. Na zijn overlijden gaf onderzoek door de politie geen opheldering over zijn identiteit en bevestigde dit evenmin het bezit van een Russisch paspoort. Uiteindelijk ging de gemeente Amsterdam akkoord met een naamloze begrafenis op een rustplaats in Amsterdam. Onder muzikale begeleiding van nummers als ‘Dust in the wind’ van Kansas, ‘De Wolvenjacht’ van Vladimir Vysotsky, en ‘Waiting for a friend’ van de Rolling Stones werd meneer Gurdjieff naar zijn laatste rustplaats begeleid. Een van zijn vrienden vond dat daar toch wel een klein gedenkteken mocht komen en plaatste daarom zelf uiteindelijk een houten naambordje.
De ontmoeting: het video-interview
In het kader van het International Street Medicine Symposium 2018 in Rotterdam ben ik via een straatdokter met meneer Gurdjieff in contact gekomen. Een huisarts en ik zochten een patiënt die na onze voordrachten over palliatieve zorg voor mensen die dak- of thuisloos zijn vanuit eigen ervaring over dit onderwerp zou kunnen spreken. Voor meneer Gurdjieff betekende dit een kans om iets over zijn leven te delen; iets na te laten, zoals hij het zelf noemde. Hij had geen kinderen, nauwelijks bezittingen, en vreesde dat zelfs zijn bestaan niet zou worden erkend. Omdat niet zeker was of hij op het moment van het symposium nog in staat zou zijn om fysiek zijn verhaal te vertellen, stemde hij in met een video-interview. Hiermee kon hij zijn wens verwezenlijken om een levensdocument na te laten.
Het video-interview laat zien hoe meneer Gurdjieff tegen zijn laatste levensfase aankijkt. Hij spreekt erin onder meer over zijn ervaringen met vergevorderde kanker, de zorg en het verblijf bij de maatschappelijke opvangorganisatie, hoe hij zelf de regie probeert te voeren over zijn laatste levensfase, zijn zorgen, behoeften en wensen, en zijn geworstel met zingeving. De opname is niet van professionele kwaliteit, maar illustreert daardoor des te meer hoe het werken met mensen uit deze doelgroep vaak gaat: ad hoc, met beperkte tijd en middelen, en in een hectische en veeleisende omgeving.
De video is tijdens het International Street Medicine Symposium op 4 oktober 2018 vertoond in de grote zaal van de Doelen in Rotterdam. In ingekorte vorm was de video eveneens te zien tijdens het Nationaal Congres Palliatieve Zorg te Lunteren op 9 november 2018. Meneer Gurdjieff heeft het filmpje zelf ook nog kunnen bekijken.
Na het video-interview ben ik hem blijven opzoeken, tot aan zijn overlijden. Hij wilde zijn levensdocument graag uitbreiden, met verhalen over zijn jeugd, zijn studie, de vlucht naar Nederland, en het leven dat hierop volgde. Dit verhaal is daar een weerslag van.
Georgië, zijn geboorteland
Meneer Gurdjieff vertelt in de jaren vijftig van de vorige eeuw te zijn geboren in Tbilisi, Georgië, de voormalige Georgische Socialistische Sovjetrepubliek. Hij groeit op als enig kind, voor het grootste deel van de tijd zonder vader, in een huis dat zijn opa van zijn moeders kant zelf heeft gebouwd. Jaren later, vlak voor zijn overlijden, roept de geur van een brandend haardvuur in een Amsterdams café bij meneer Gurdjieff flarden van herinneringen op aan dit ouderlijk woonhuis.
Volgens meneer Gurdjieff behoort zijn familie in Georgië tot de Grieks-Armeense etnische minderheid, die weinig rechten heeft en door de Russisch-communistische overheersing alsmaar verder in de verdrukking komt. De Grieks-Armeense minderheid voelt zich verwant met de Koerden. Het eerste deel van de naam ‘Gurdjieff’ (‘Gurd’) verwijst mogelijk ook naar een Koerdische afkomst.
Ondanks die etnische verwijzing kiest zijn moeder er bewust voor haar zoon deze achternaam van zijn vader mee te geven, omdat zij daarmee het recht behoudt op alimentatie. Meneer Gurdjieff zelf heeft vanwege de afwezigheid van zijn vader in zijn jeugd een dubbel gevoel bij zijn achternaam.
Zijn moeder zorgt ervoor dat hij als kind wordt opgevangen bij de ‘Oktoberkids’, een communistische jeugdorganisatie waarvan de naam verwijst naar de Russische Oktoberrevolutie van 1917. Tegelijkertijd voedt zij hem op binnen de Grieks-Armeense religieuze traditie, die op gespannen voet staat met de communistische ideologie waarin hij via de jeugdorganisatie wordt ondergedompeld. Georgië is in die tijd overwegend atheïstisch. Het openlijk belijden van een religie is er niet goed mogelijk. Op de basisschool ontvangen alle leerlingen een Lenin-ster en een sjaaltje die het communistische gedachtegoed symboliseren. Als kind ervaart meneer Gurdjieff naar eigen zeggen reeds hoe het is om een ‘witte kraai’ of een ‘zwarte zwaan’ te zijn. Om altijd maar te merken dat je verschilt van de rest. Vanwege zijn familienaam wordt hij als een van de weinige leerlingen van zijn school niet geselecteerd voor de volgende stap in het hiërarchische communistische jeugdsysteem.
Dat leidt tot een spagaat in zijn denken. Eigenlijk was hij om erbij te horen graag lid geworden, maar tegelijkertijd past de communistische ideologie niet bij zijn achtergrond. Enkele jaren later, op zijn 14e, wordt hij echter alsnog lid van de communistische jeugdpartij. Op 16-jarige leeftijd krijgt hij dan ook een Russisch paspoort. Meteen daarna beëindigt hij zijn lidmaatschap van de jeugdpartij alweer.
Roerige tijden
Ondanks de communistische overheersing zijn de jongeren in Tbilisi vol van westerse idealen: ze luisteren naar muziek van de Beatles, laten hun bakkebaarden staan en dragen broeken met wijde pijpen. Tbilisi is dan nog een kosmopolitische, bruisende stad, met ruim honderd verschillende nationaliteiten. Door de toename van de politieke instabiliteit en de komst van talloze conservatieve dorpelingen, die door de overheid naar de hoofdstad worden gehaald, verandert die eens zo vrijzinnige, ruimdenkende sfeer echter drastisch. Spanningen krijgen de stad steeds verder in hun greep, de toon van het debat wordt ernstig.
Meneer Gurdjieff wordt verliefd op een Russische jongedame die in Moskou aan de universiteit Engels studeert. Ze ontmoeten elkaar op de dansvloer tijdens een uitje aan de Russische kant van de Zwarte Zee. Aangespoord door deze nieuwe liefde trekt meneer Gurdjieff naar Moskou, met het voornemen daar te gaan studeren. De liefde loopt echter spaak, want beiden ontdekken dat hun ideologische en culturele verschillen te groot zijn. Meneer Gurdjieff besluit vervolgens te gaan studeren aan een minder prestigieuze universiteit, die zich richt op het opleiden van docenten. Daar wordt hij politiek minder in de gaten gehouden. Hij start zijn studie ‘Engels en Linguïstiek’ aan het Institute of Foreign Languages van de Chavchavadze Tbilisi State University. Hij is een ijverige student, die in het Engels probeert te denken en te dromen, want dat versterkt zijn taalvaardigheid, zo vertelt hij later. Met een diploma op zak zal hij volop aan de slag kunnen als linguïst, vertaler, docent en reisleider. Er opent zich een rooskleurig carrière- en toekomstperspectief. Zijn familie is dan ook trots. Van de Russische overheid krijgt hij toestemming om buitenlandse toeristen rond te leiden.
Van 1986 tot en met 1989 werkt meneer Gurdjieff als gids en reisleider in Tbilisi. Ook wanneer steeds meer westerse toeristen wegblijven, enerzijds vanwege de kernramp bij Tsjernobyl (1986) en anderzijds vanwege de verscherpte politieke tweedeling tussen het communistische Oosten en het kapitalistische Westen (de Koude Oorlog), komt hij niet zonder werk te zitten; waar veel toeristenbureaus zich te goed voelen om bezoekers uit de eigen regio te bedienen, besluit meneer Gurdjieff zich juist te richten op de Russische markt. Een gouden greep! Het gaat hem naar omstandigheden voor de wind, totdat de politieke en etnische conflicten dusdanig oplaaien dat er een burgeroorlog uitbreekt in Georgië.
Wanneer meneer Gurdjieff samen met zijn moeder naar de kerk gaat, moeten ze voortdurend bedacht zijn op spionnen die stiekem foto’s maken om actief gelovigen te kunnen opsporen en vervolgen. Meneer Gurdjieff vertelt later dat deze ervaringen zijn fascinatie voor het geloof hebben aangewakkerd. Eenmaal in Nederland verdiept hij zich in allerlei religieuze stromingen en sektes. Toch vindt hij bij geen daarvan de antwoorden waarnaar hij zoekt.
In 1991 wordt meneer Gurdjieff geconfronteerd met een groot persoonlijk verlies. Zijn moeder overlijdt plotseling, na deelname aan een herdenkingsbijeenkomst voor jonge demonstranten. Hun protest is kort daarvoor op bloedige wijze door het leger neergeslagen. Hoewel de ware toedracht van zijn moeders dood nooit aan het licht is gekomen, vermoedt meneer Gurdjieff dat zij is overleden door het inademen van gifgassen die vrijkwamen bij het verplaatsen van de bloemstukken naar de kerk. Zelf was meneer Gurdjieff ook bij de bewuste herdenkingsbijeenkomst aanwezig, en ook hij werd na afloop eigenaardige fysieke klachten, een soort uitvalverschijnselen, gewaar.
De vlucht
Meneer Gurdjieff is al van jongs af aan een ‘man van gerechtigheid’, zo zegt hij zelf. Als zijn oma tijdens de verkiezingen te ziek is om te gaan stemmen, zorgt hij er persoonlijk voor dat de stembus bij hen thuis langskomt. Op dat moment maakt hij echter een catastrofale inschattingsfout. Wanneer de autoriteiten hem na de stemmingsprocedure vragen op welke partij ze hebben gestemd, noemt hij de naam van een partij die gekant is tegen de heersende autoriteiten. De gevolgen zijn rampzalig. Meneer Gurdjieffs naam belandt op een zwarte lijst. Vanaf dat moment is hij zijn leven niet zeker. Zes maanden lang zit hij ondergedoken bij een kennis. Tbilisi verandert in een ‘slangenkuil’. Op straat wordt gevochten en geschoten. Nadat ook zijn oma is overleden, besluit hij in de winter van 1993 Georgië voorgoed te verlaten. Terwijl hij droomt van een nieuw bestaan in Amerika, volgt hij het voorbeeld van een kennis die naar verluidt met succes Duitsland heeft bereikt. Over land reist hij eerst naar Moskou, waar hij het vliegtuig naar Frankfurt neemt. Via het Drielandenpunt (Duitsland-Nederland-België) bij Vaals komt hij Nederland binnen. Hier begint een nieuw hoofdstuk in zijn bestaan.
Overleven
Tijdens zijn eerste maanden in Nederland verblijft meneer Gurdjieff op veel verschillende plekken. Allereerst in Rotterdam, waar hij in de Pauluskerk vol verbazing gadeslaat hoe aan mensen met verslaving heroïne wordt verstrekt. En waar hij ook een Amsterdammer ontmoet met wie hij in de jaren erna een innige vriendschap zal opbouwen. Eveneens raakt hij er aan de praat met een hulpvaardige inwoner van Rotterdam, iemand die gelooft in zijn goede bedoelingen en hem de kans wil geven om in ruil voor kost en inwoning een ouder echtpaar te verzorgen. Dit plan komt echter niet van de grond, omdat het bewuste echtpaar achterdochtig is en de nieuwe vreemdeling niet wenst te accepteren.
Meneer Gurdjieff verhuist daarna naar Breda, waar hij korte tijd in een asielzoekerscentrum verblijft. Hier kan hij echter niet goed aarden. Hij heeft moeite met de regels en de manier waarop de bewoners worden behandeld, in een sfeer van wantrouwen en controle. Hij verdiept zich in de Europese asielregels en ontdekt dat hij eigenlijk binnen vier dagen asiel had moeten aanvragen in het eerste land van aankomst na zijn vlucht, in zijn geval Duitsland. Later verzucht hij dat dit inzicht er mede toe heeft geleid dat hij nooit vasthoudend is geweest in het aanvragen van asiel in Nederland.
Een nieuw thuis in ‘wonder city’ Amsterdam
Na een aantal omzwervingen belandt meneer Gurdjieff in 1995 in Amsterdam. Eigenlijk begint het nieuwe hoofdstuk in zijn leven pas daar wat vastere vorm aan te nemen. Amsterdam wordt zijn nieuwe thuis. Meer dan 25 jaar lang zal hij er ‘onder de radar’ leven, als ongedocumenteerde vluchteling. Dankzij een bescheiden sociaal netwerk en veel inventiviteit gaat hem dat redelijk goed af. Niet dat het makkelijk is. De omstandigheden zijn bar en boos en soms ook broos. Hij gaat op in het straatleven, en probeert alle soorten drugs wel een keer uit. Hij raakt naar eigen zeggen gelukkig nooit echt verslaafd, en slaagt er altijd in zelf zijn boontjes te doppen. Daar is hij trots op.
Met hulp van zijn Amsterdamse vriend vindt hij een baan als nachtbewaker op de bouwplaats van een hotel in aanbouw, in het centrum van de stad. En zodra dat werk ophoudt, kan hij aan de slag in het familiebedrijf van zijn vriend. In diens ambachtelijke lederzaak vervaardigen ze samen onder andere paraplu’s, tasjes en paardenzadels. Later werkt meneer Gurdjieff ook nog een tijdje in een coffeeshop. Als beloning voor zijn verdiensten mag hij in de berging slapen (op een matrasje op de vloer) en gratis cannabis roken, en krijgt hij één pizzapunt per dag te eten. De exploitant van de coffeeshop heeft er een handje van zijn klanten op te lichten. Wanneer meneer Gurdjieff, die rechtvaardigheid (‘social justice’) nog altijd hoog in het vaandel heeft staan, hem hierop aanspreekt, kan hij zijn boeltje pakken. Hij ziet echter al gauw weer nieuwe mogelijkheden om brood op de plank te krijgen: hij wordt straatartiest. Op een van de drukste pleinen van de stad, de Dam, wordt hij een ‘levend standbeeld’: ‘I saw a person standing still on the Dam, and people were giving him money. So I tried that, and it worked. For about eight years, I was a statue near Madame Tussauds. […]. I had a nice outfit: a suitcase, make-up, high boots. I had to stare at one point and never blink. If I blinked, I would lose the eye of the customer. […] It was like white magic. But after 2000, […], with all the wars and sadness in the world, people were no longer happy. Then I stopped; it was not the right thing to do anymore.’

Amstelglorie
Ondanks alle ontberingen en het ruwe straatleven verovert Amsterdam een plekje in meneer Gurdjieffs hart. Hij raakt bevriend met een Brabantse Amsterdammer, van wie hij Nederlands leert, omdat de Brabander geen Engels spreekt. In ruil voor het verrichten van werk mag meneer Gurdjieff verblijven in het tuinhuisje van een andere vriend. In het volkstuinpark met tuinhuisjes zijn altijd wel klussen die gedaan moeten worden, zoals terrassen aanleggen of schilderen. De tuinhuisjes mogen officieel niet worden bewoond, maar het verblijf van meneer Gurdieff wordt gedoogd. Hij is er gelukkig: ‘A tiny garden house, a bit outside Amsterdam. […]. And well, it was a little bit limited, with no electricity, but I could cook and take care of myself. […]. And I was lucky in that I could always find something to do and earn my living.’
Het ‘maakwerk’, en vooral ook de zichtbare verfraaiingen van Amstelglorie geven hem veel voldoening. Zijn nieuwe ambachtelijke vaardigheden komen hem goed van pas in een volgende betaalde baan, die van ‘stratenmaker’: ‘It was a bit of a heavy job, […], but it was paying good and I was happy.’
Kruispost
Tamelijk plotseling, het is dan medio 2013, lukt het fysiek zware werk meneer Gurdjieff niet meer: ‘Suddenly – well… not in one day, but gradually – I could do less. Physically I became weak, […]. Before, I could work eight or six hours non-stop, […]. But now, after a couple of hours, […], I could not go on anymore.’
Op aandringen van kennissen bezoekt hij een medische post die basiszorg biedt aan Amsterdammers zonder verblijfsstatus. Een maagzweer, zo is aanvankelijk de diagnose. Maar omdat zijn fysieke toestand niet verbetert – integendeel; hij verzwakt meer en meer – verwijst de arts hem een jaar later door voor een algeheel onderzoek. De uitslag daarvan is dramatisch en onverwacht: darmkanker (rectumcarcinoom). ‘It was really unexpected. And it took time before it sank in. […]. I do not believe that people can ever comprehend the whole thing about the cancer.’
Een ziekenhuisopname van enkele weken en diverse operaties en chemokuren volgen. Tot 2017 kan hij terecht op de verpleegafdeling van een maatschappelijke opvangorganisatie. Dan wordt hij door zijn oncoloog ‘schoon’ verklaard: er is geen medische noodzaak meer om een ongedocumenteerde man zonder zorgverzekering langer op een verpleegafdeling te houden. Maar is hij echt ‘schoon’? En waar moet hij daarna heen?
Het bezoek aan de medische post blijkt achteraf gezien een doorkruising van zijn levenspad: van een zelfvoorzienend persoon met grip op het leven naar een zieke man met een onvoorspelbare toekomst, zoekend naar houvast. Wat volgt blijkt een ware beproeving voor meneer Gurdjieff.
De ziekte
Omdat meneer Gurdjieff volgens de zorginstelling weer op zichzelf zou moeten kunnen wonen en leven, moet hij de verpleegafdeling verlaten. Dat kwetst hem, want ze zien hoe verzwakt hij is: ‘That was a hurting moment. I felt that something [the cancer] was still there, but I could not make them believe that. […]. It feels very bad when one is to realise that one is treated like homeless, countryless, motherless, fatherless, friendless…‘
Niet lang daarna blijkt de kanker te zijn teruggekomen. Erger nog: hij is uitbehandeld. In 2018 wordt hij opnieuw opgenomen in de ziekenboeg van een maatschappelijke opvangorganisatie. Van de bewoners wordt verwacht dat zij zelf hun kamer schoonhouden, maar dat lukt meneer Gurdjieff niet goed; hij heeft te veel pijn. Hij voelt zich onbegrepen en dat maakt hem nerveus: ‘I cannot describe this inside nervousness. […] I tried [to clean up] several times, but then the repercussions were terrible. Just five minutes moving things, […], then it starts from here [wijst aan waar het pijn doet]. It is like an explosion inside.’
Meneer Gurdjieff wil zich niet ondankbaar tonen, want de zorg is hier heel goed. Maar het personeel kruipt niet in zijn ziel. Zijn zelfstandigheid is in het geding, vertelt hij, en dat raakt hem diep. Zijn hele leven heeft hij zich immers staande weten te houden. Een goed gesprek over zijn worstelingen komt slechts sporadisch van de grond: ‘Talking to the doctor. Then I felt this connection, […], I had this feeling of being understood. For me it is a big moment… to be understood.’
Meneer Gurdieff maakt zich zorgen over de pijn die hij moet doorstaan, en over hoe het verder zal gaan nu hij uitbehandeld is. In zijn hoofd is het soms ‘een chaos’, zo ervaart hij. Dan spoken daar opstandige gedachten van pessimisme en verliest hij even zijn strijdbaarheid: ‘Sometimes, lately, there is this weird confrontation in my mind. […]. This totally pessimistic wave, […]. And I say “Okay, for what? I do not care”. Before I had a purpose; to live, to make something, to achieve something…’
Deprimerende gedachten dringen zich aan hem op: ‘At some moments, I do not want to be alive. I was thinking about how to stop it, how to make the end. I cannot kill myself as I believe my faith does not allow me. But having thoughts about it is already not good.’
Toch hervindt meneer Gurdjieff zijn veerkracht. Hij probeert zichzelf en het leven van een afstand te bekijken, met nieuwsgierigheid en verwondering, ‘als door de ogen van een levend standbeeld’. Ter afleiding van de pijn bekijkt hij foto’s van vroeger, haalt hij herinneringen op, en verkleedt hij zich weer eens. Zijn rondtollende zorgen probeert hij over te dragen op de kalm vibrerende ‘fidget spinner’ (handspinner), een geschenk van het dochtertje van een Georgische vriend in Nederland.
Het hospice
Begin 2019 wordt meneer Gurdieff, na een kort verblijf in een academisch medisch centrum, overgeplaatst naar een hospice aan de andere kant van de stad. Die overplaatsing is bedoeld om de palliatieve zorg te optimaliseren, maar meneer Gurdjieff heeft het er moeilijk mee.
Hij mist zijn vertrouwde omgeving en de mensen die hij kent. Hij zoekt afleiding en troost in Armeense muziek (de Armeense duduk): ‘Sweet sadness. It is not just sad, but it is sweet sadness […], if that exists. It reminds me that there are people in worse situations than me. And this thought […] makes things not so painful.’
Soms rijdt hij rond in een scootmobiel die hij van een vriend heeft gekregen. En af en toe heeft hij enthousiaste oplevingen en wil hij eindeloos vertellen om zijn levensdocument verder vorm te geven. Maar er zijn ook steeds vaker dagen waarop hij zich te moe, verward, zwak of gedeprimeerd voelt om zijn verhaal te doen. Dan wil hij liever niemand zien. Die neiging om zich terug te trekken heeft hij eerder al onder woorden gebracht, tijdens het video-interview in de opvang: ‘It seems sometimes, most of the time, as if I have nothing to say anymore. Every conversation somehow falls back on this illness. And not everybody wants to know about it… or talk about it. [….] To communicate with others is less and less. I am kind of going in myself.’
Tegelijkertijd verlangt hij naar nabijheid: ‘It would be nice if people would come to me sometimes.’
Hij spreekt de hoop uit niet alleen te zullen sterven: ‘I would not want to die alone… [with] nobody around to look at me, perhaps hold hands… [I wish for] somebody who cares.’

Uiteindelijk overlijdt meneer Gurdjieff in het hospice, in het bijzijn van verpleegkundigen en verzorgenden. Hij haalde de dertig jaar in Nederland net niet, al had hij dat vurig gehoopt: ‘Maybe some day I will be recognised. If I live 30 years in a country [the rule is that], I will be recognised.’
Toch heeft hij iets heel bijzonders nagelaten: zijn stem, zijn verhaal, en een gedicht dat hij schreef rond de eeuwwisseling. Een groet aan de plek die hem opnam, maar hem helaas nooit helemaal erkennen kon:
One and Only
Gedicht van meneer Gurdjieff, getiteld ‘One and Only’, uit en verwijzend naar zijn tijd als levend standbeeld in Amsterdam:

I have made a long-way-run
For to you so close to come
For my freedom; not for fun
Wonder-city-Amsterdam
You have met me in amazement
Took away a dreamer’s basement
“Who is he?” and “Where is he from?”
With all your wonders you tasted strong
You’d put me up and crushed me down
You’ve shown me life in streets of town
You gave me Kingdom; but not the crown
You dressed me well and made the clown
Thanks for freedom, thanks for fun
Thanks for Rokin and De Dam
Be you happy and keep that charm
One and Only Amsterdam.
