Paultje (67) heeft zin in dit gesprek, getuige zijn vrolijke blik en de punctualiteit van afspreken. Hij heeft een bloedhekel aan mensen die te laat komen, maar tien minuten te vroeg wekt ook ergernis op. “Dan wacht je nog maar effe!” Een fijn, verbindend gevoel voor humor is hem niet vreemd en zijn warme, aanstekelijke lach verzacht waarschijnlijk de scherpe kanten van het leven.
Dakloos
Heel precies weet hij het niet meer maar hij was tien tot twaalf jaar dakloos. Op verschillende momenten en soms seizoensgebonden. Hij klaagde er zelden over, alhoewel de wekelijkse gang naar de Centrale Toegang Daklozen Amsterdam en in de rij ‘van hier naar Tokio’ staan hem nog steeds woedend maakt. “Het waren niet de alleraardigste mensen daar,” vertelt hij. Hij voelde zich als een stuk vuil behandeld en zag dat anderen ook zo benaderd werden. Hij bleef op straat contact houden met zijn netwerk dankzij zijn mobiele telefoon, zijn computer! In de daklozenopvang kwam hij nooit. Daar waren te veel mensen waarmee hij niet kon communiceren.
Bij het Leger des Heils had hij eens een kamer zonder douche en wc en daar moest hij ook zijn netwerk ontvangen. Op een gegeven moment was zijn kamer Café Paultje geworden en kwam er net als in elk café van alles over de vloer. Het was goed dat hij er vertrok.
Een eigen huisje
Sinds zo’n maand of acht heeft hij zijn vrijheid terug, in zijn eigen huisje. Dankzij een engel van het Leger des Heils die zich met al haar vermogen voor hem heeft ingezet. Paultje noemt dat gedetermineerd, vastbesloten, beslist en direct actie ondernemen! Zij was de enige die überhaupt ooit iets voor hem gedaan heeft. Hij houdt van haar!
“En nu heb ik mijn vrijheid terug en dat is heerlijk. Als ik pannenkoeken wil bakken dan kan ik dat doen, al is het midden in de nacht, bij wijze van spreken. Ik ben er zo blij mee. En over een poos is het van mij, tenzij ik ernstige overlast veroorzaak. Maar dat gaat nooit gebeuren! Ik heb twee maatjes, een officiële en een neppe, die graag bij mij komen omdat ze me mogen. Ik heb contact met een paar van mijn kleinkinderen, die komen hier ook graag. Die stormen de trap op om zogenaamd leuk bij opa te zijn, maar eigenlijk vanwege de ijsjes in de vriezer! Die heb ik speciaal daarvoor aangeschaft.”
Slechts één keer sliep hij nog op straat, voor zijn eigen voordeur. Hij had zichzelf buitengesloten, omdat hij was vergeten de sleutels aan de binnenkant uit het slot te halen.
De jonge jaren
Paul werd geboren in Lochem, toen zijn moeder veertig was, als jongste van vier jongens. Het zou kunnen dat het niet helemaal de bedoeling was. “Ik was er gewoon en er werd absoluut geen aandacht aan me besteed. Mijn moeder deed of ik er altijd al was geweest. Ik speelde buiten met vriendjes, keek naar de zon, want ik had geen horloge, en wist dan ongeveer wanneer het etenstijd was. Ik kreeg dan aardappelen te eten, vlees lustte ik niet. Mijn moeder verstond niet de kunst om iets anders te verzinnen. Mijn vader dwong me om worst te eten of propte het door de boerenkool. Was t’ie nou helemaal gek geworden, alsof ik dat ging eten!! Verder was die man alleen maar bezig met wanneer hij weer een nieuwe auto kon kopen. Toen ik zeventien was, beleefde ik het mooiste moment uit mijn leven. Ik ging alleen naar Suriname en had het goed met mijzelf. Want de belangrijkste persoon in mijn leven ben ik uiteindelijk zelf.”
Eigen verffabriek
Paul was min of meer een chemicus. Hij was goed in biologie en wilde eigenlijk bioloog worden. Dat dit niet gelukt is, wijt hij aan de meisjes die het ‘op de een of andere manier leuk met mij hadden’, hoewel hij absoluut geen rokkenjager is. Hij maakte verf voor beeldend kunstenaars op de Rietveld Academie en deed onderzoek voor de Consumentenbond naar verschillende soorten acrylverf. Daarna begon hij zelf verf te produceren. Nadat hij door zijn eerste vrouw op straat werd gezet, woonde hij boven zijn eigen zaak in de Warmoesstraat in Amsterdam, de verffabriek ARA, samen met zijn broer.
Toen ging zijn broer plotseling dood. Niemand nam de moeite hem dat direct te vertellen. Hij is er nog verontwaardigd over: “Stonden ze meewarig en jankend aan mijn deur: ‘Hoe is het nou toch Paultje?’ en ik wist van niks!” Twee weken later stond hij op straat want het huis stond op naam van zijn broer.
Vanwege een verf-allergie en omdat hij zijn huis uit moest, ging hij naar Londen voor een adviserende rol bij een verfbedrijf. Hij verbleef er 2,5 jaar. Terug in Nederland begon de ellende pas goed. “Ik kon geen huis krijgen want ik had geen economische binding meer. Uiteindelijk kreeg ik met veel moeite en hulp een uitkering”
Relaties en kinderen
Paul heeft vijf kinderen bij twee vrouwen. Met sommigen heeft hij contact. Er klinkt nog veel verdriet door over zijn eerste vrouw, ze schopte hem het huis uit. Hij wil niet te veel terugdenken aan wat dat met hem deed, hij heeft er wel een paar weken om moeten janken. Hij noemt haar de liefde van zijn leven en vindt nog steeds dat ze oud met hem had moeten worden. “Gelukkig hebben we nu goed contact, en kan ik haar nog steeds precies vertellen wat ik voor haar voel. De kinderen weten dat ook en kennen mijn gevoelens. Die vinden haar stom dat ze bij me weg is gegaan. Eigenlijk heeft ze geen keus want ze komt nooit meer van me af.”
Terugkijken
“Ach,” vraagt Paul zich af, “heb ik mijzelf begrepen? Het leven is het leven. Als je het zou overdoen, trap je weer in dezelfde fout. Schaamte ken ik niet, het is zoals het is en uiteindelijk, hoe je het ook wendt of keert, gaan we allemaal naar de klote.”
Aan het eind van ons gesprek zingen we samen de legendarische song van Yf Blokker : Waar moet dat heen, hoe zal dat gaan, de wereld zal voorgoed vergaan!
Met een lachsalvo van Paultje nemen we afscheid. Humor blijkt vaak een camouflage voor verdriet en tevens soms ook de beste remedie!
Amsterdam, mei 2025
