“Ik beloof dat mijn leven goed komt”

Opgetekend door: Jetta Spaanenburg. Foto: Kim van de Wetering.

Het levensverhaal van Irek

Over eten en namen 

We zitten in een koffiebar tegenover de favoriete snackbar van Irek met van die puntzakken met mayonaise erbovenop. “Hou je van snacken?” vraag ik. “Mexicaans is mijn favoriete cultuur,” zegt Irek, “niet hamburgers, frikandellen, kroket. Dat is echt Nederlands. Wij hebben in Polen aardappels, goede salade, grote steak.” “En knoedel toch,” vraag ik. Zijn gezicht licht op. “Ik weet hoe ik knoedel kan koken. Ik heb elk recept dat oma heeft gemaakt. Oma kookte vijfentwintig jaar voor de kerk. Dan moet je voor heel veel mensen koken. Ik stop mijn hart in mijn eten.” 

“Hoe oud denk je dat ik ben? “Vijfendertig,” zeg ik. “Goed gegokt. Ik ben geboren op 30 januari 1990, een Waterman.” Ireks Nederlands is sterk, soms met Engelse woorden ertussen. Hij vertelt: “Iedere dag één woord leren is 365 woorden per jaar. Dat is genoeg voor elke taal.” Ik vraag hem welk woord hij vandaag leert. “Jouw naam,” zegt hij en hij herhaalt hem zorgvuldig. Ik schrijf hem op. Dan schrijft hij zijn eigen naam: Irek, en zijn volledige geboortenaam. “Nu is het grappig, let op. Irek Mirek. Dat rijmt.” We spelen met namen. Op welke naam reageer je? “Door mijn dakloostijd zeg ik altijd automatisch ja,” zegt hij. “Vandaag was dat handig. Nu ben ik hier en heb ik jou leren kennen.” 

Jeugdjaren 

Irek vertelt dat oma zijn moeder was. Zijn biologische moeder werkte en woonde voor een groot deel van zijn jeugd in Capri in Italië, voor een erg rijke man met misschien wel twintig winkels met wandkleden. Zijn vader werkte achttien jaar in de kopermijnen. Dat is in Polen een nationaal bedrijf, werknemers worden goed betaald maar je werd er wel ziek van. Zijn vader werd chronisch ziek. Hij werkte twee jaar te kort om een uitkering te krijgen. Zo waren er altijd geldproblemen in het gezin met vier kinderen. Irek was de jongste. Hij heeft een broer en twee zussen. De familie verkocht hout om te overleven. Ze woonden in Przemków, 333 km van Berlijn.  

Een man van zijn woord 

“Als ik zeg ik beloof het,” zegt Irek, “dan is dat een contract met mezelf. Ik heb die woorden maar vier keer uitgesproken in mijn leven. Een mens mag niet te veel beloven. Dan breek je. Maar deze vier tekenen mijn levensverhaal.” 

Irek is vijftien wanneer hij zijn eerste belofte uitspreekt. Zijn moeder wil hem geld geven. Uit schuld, uit controle, uit macht ook. Irek voelt de spanning in zijn borst. “Mamma,” zegt hij langzaam, “ik pak nooit geld van jou. Niet nu. Niet later. Ik beloof het. I promise.” Vanaf dat moment werkt hij ieder weekend. Zijn handen maken zijn geld.  

Zijn zus krijgt na de geboorte van haar eerste kind een depressie. Er ontstaat chaos in het gezin. Jaloezie. Machtsstrijd. Zijn zus zet zijn moeder tegen hem op en die zegt: “Je hoort niet meer bij deze familie.” Irek pakt zijn spullen en gaat naar zijn oma die vlakbij woont. Hij was zestien of zeventien. “Oma geloofde mij. Ik rookte wiet. Ik was eerlijk tegen haar. Zij zei: ‘De deur is altijd open. Maakt niet uit hoe laat.’“ Oma is inmiddels dood maar Irek kreeg dat pas veel later te horen. Hij weet niet waar haar graf is, “maar zij is in mijn hart.” 

Na de middelbare school wil hij studeren. Hij haalt zijn toetsen ruim maar een studie kost 25.000 zloty per jaar. Zijn vader zegt: “Neem het geld.” Maar Irek denkt aan zijn belofte en zegt ‘nee’. Dat was zijn tweede belofte. Hij werkt bij Volkswagen en maakt 800 motoren per dag. Daarna maakt hij aluminium onderdelen in vuurovens van 82 graden. Hij drinkt vijf liter water per dienst en verliest dertig kilo gewicht in een jaar. “Daarna was niets meer zwaar.” 

De oorlog met thuis wordt te groot. Zijn vader ziet Irek als zijn beste vriend. Maar zijn moeder is een andere persoon geworden na haar tijd in Italië en dreigt zijn vader daarom ook uit huis te zetten. Twee dagen later regelt Irek papieren, een ticket en een bus. Hij doet zijn derde belofte, nu aan zijn vader: “Ik kom terug als man.” De bus vertrekt. 

Naar Nederland 

Irek komt op 3 mei 2011 aan in Nederland. De Poolse nationale feestdag van de Constitutie. “Een echte patriot die op deze dag zijn land verlaat,” lacht hij. Hij kiest voor Nederland omdat hij af en toe wiet rookte. Op zijn eerste dag in Nederland opent hij een bankrekening en stuurt hij een foto van een joint naar zijn vader. Zijn vader was tijdens zijn schooltijd een hippie met lang haar en toen Irek achttien jaar werd, volwassen dus, rookte hij met zijn vader een joint. “Mijn vader was echt mijn beste vriend.”  

Hij werkt in twee jaar via 48 uitzendbureaus. In Dordrecht, Rucphen (aardbeien), in vleesfabrieken. Hij slaapt in kamers met twintig man en in caravans. Hij leert Nederlands door alles aan te wijzen en te vragen. 

In Enschede ontmoet hij A. Zij is vijftien jaar ouder, heeft twee dochters en is intelligent en rustig. “Ik kon niet geloven dat zo’n vrouw mij wilde zien.” Ze spreken af dat ze geen vaste relatie hebben. Geen beloftes. Maar er ontstaat iets groters. Ze praten nachten door. Hij gaat weer voor zijn lichaam zorgen, voor zijn toekomst. Na acht maanden krijgt hij uitzicht op een vast contract. Ze gaan samen op vakantie maar dan sterft zijn jeugdvriend. Ze rijden samen naar Przemków waar hij ontdekt dat zijn oma geen graf heeft waar hij haar kan bezoeken.  

Aan het einde van de vakantie gaat hij terug naar Nederland. A. heeft nog langer vrij. Ze nemen afscheid. “I love you seriously. I love you,” zegt A. Irek zegt het niet terug. Niet uit onwil. Uit angst. Diezelfde dag krijgt zij een dodelijk auto-ongeluk. “Mijn wereld viel stil,” zegt Irek, en hij raakt ontregeld. Zijn werk versplintert. Zijn focus breekt. 

Op straat 

In Amsterdam werkt hij bij de marine en in de metaalindustrie. Op een dag vergeet hij zijn portemonnee in de trein en is zijn ID weg. Zonder ID kan hij niet werken, zonder werk heeft hij geen kamer en zonder kamer is er geen zekerheid. Irek staat buiten, op straat. 

Op straat komt de amfetamine: om wakker te blijven, om niet te bevriezen, om niet bang te zijn voor het leven op straat in een grote stad. Hij dwaalt met twee tassen op zijn rug. Het is winter. Hij slaapt in een slaapzak van de Action op perrons in wachtruimtes. Overdag is hij in de bibliotheek, waar warmte en stilte is. Niemand die vraagt wat je er doet. “Je wordt snel onzichtbaar. Eerst ben je een man zonder werk. Dan zonder adres. En dan ben je gewoon niemand.” Mensen kijken langs hem heen. Hij hoort alleen zijn eigen voetstappen. 

Op een ochtend is zijn rugzak leeg. Alles weg. “Ik huilde als een baby.” Niemand die naar hem kijkt. Behalve, enkele weken later, een agent. Die regelt een bed bij de nachtopvang in Utrecht. Maar na twee weken moet hij weer de straat op, want zo zijn de regels. Hij leert van twee Slowaken hoe je overleeft met statiegeld en gestolen fietsen. Al het geld gaat op aan sigaretten en amfetamine. 

“De nacht is voor ons. Voor de onzichtbaren, de daklozen.” Opnieuw wordt Irek geholpen, nu door B., een vrouw die hem echt ziet. Ze zegt: “Jij bent te lang dakloos. Jij bent normaal. Jij bent niet dom.” Ze regelt een detoxperiode waar hij P. ontmoet die zijn beste vriend wordt. Hij is inmiddels overleden. Irek verliest nog een keer zijn ID, nu in een container. B. helpt hem weer.  

Een belofte die uitkomt 

Na alles wat hij kwijt is geraakt, spreekt hij zijn vierde belofte uit. In stilte, tegen A. 

‘Ik beloof dat mijn leven goed komt.’ Dat was geen wens, dat was een beslissing. Soms is het sterk om hulp te ontvangen. Irek woont nu bij het Leger des Heils. Hij staat op een wachtlijst voor een zelfstandige woning met een uur begeleiding per week. “Ik ben een sterke, intelligente man. Maar met mijn taalbarrière krijg ik geen huis zonder begeleiding.” Hij wil binnen een jaar weer een eigen basis hebben. Daarom leest hij alles wat nodig is om aan een kamer te komen, want de wachtlijst voor elke locatie is een loterij. Belangrijk is om rustig en respectvol te zijn, om goed door te vragen en goed te snappen wat je moet doen. “Dus ik zeg: Dank je wel het was lekker eten.” 

Het is nu een jaar later. Een medewerker van de Stadswacht doet een aanbod: in Nieuwegein, met een eigen deur en een eigen sleutel. De vierde belofte is geen droom meer. Het is een kamer geworden. Met een slot dat alleen hij kan openen. Een belofte voor de toekomst. 

Utrecht, december 2025 

One comment on “Irek”

Laat een antwoord achter aan Irek Mirek Reactie annuleren

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *