Kantje boord
Drie jaar geleden is het kantje boord voor Aat (62). Zijn buurvrouw hoort een klap, komt kijken, belt de ambulance en zo belandt hij op de intensive care. Als hij na zes dagen zijn telefoon weer aanzet, loopt die over van de berichtjes. Ook hangen er tientallen kaartjes aan de muur. Al die onverwachte aandacht raakt hem. “Dat gooi ik nooit meer weg.”
Het is best moeilijk om je Aat als kwetsbare man voor te stellen. Hij is een beer van een kerel, met een sneeuwwitte, typisch Leidse monstersnor en een jaren-50-bril. Op de leuning van zijn grote luie stoel ligt een smartphone, die vergeleken met zijn handen piepklein is. Hij tingelt om de haverklap.
‘Een carnavalskraker’, noemt Aat zichzelf. In 1959, op de elfde van de elfde, ontdekt de dokter waarom hij altijd zo snel moe is: hij heeft een lekkende hartklep. Dat falende klepje heeft zijn jeugd beheerst. Elke maand bij zijn moeder achterop naar het Academisch Ziekenhuis voor onderzoek. Met een grijns zegt hij: “Maar ja: onkruid vergaat niet. Ik ben een goeie voor de verzekering geweest.”
Een warm gezin
Aat (05-09-1954) wordt geboren als jongste van vier kinderen. Vader is een zachtaardige man en werkt in de betonfabriek. Moeder zorgt voor het gezin tot de kinderen groot genoeg zijn en ze betaald huishoudelijk werk kan gaan doen. “We hadden het niet breed maar wel heel gezellig. Pa werkte in het weekeinde bij het Rijksmuseum van Oudheden om wat extra te verdienen. Ze hebben er samen álles aan gedaan om ons vieren goed te eten te geven en te zorgen voor een goede jeugd. Geen onvertogen woord over mijn ouders.”
Als zijn zussen en broer trouwen, wordt het stilaan rustiger thuis. En als zijn vader relatief jong overlijdt is het alleen nog Aat en zijn moeder. Hij heeft het fijn met haar. “Mijn ouders hebben zoveel voor mij gedaan. Het is fijn om iets terug te kunnen doen.”
Nog 726 vakantie-uren
Aat volgt een opleiding op de bedrijfstechnische school en gaat in de horeca werken. Dat betekent lange dagen maken en veel stress. De cardioloog raadt hem aan muziekinstrumentenmaker te worden. Dat is rustig zittend werk. Maar dat spreekt Aat niet aan. “Stilzitten is niks voor mij. Ik wilde metselaar worden maar dat werd ‘m niet.” Hij wordt kok en na het halen van een aantal diploma’s, assistent-hoofd spoelkeuken in het voormalige Alberts Corner-restaurant in Leiderdorp “Een groot restaurant. Zelfbediening. À la carte. Op een gegeven moment zelfs met een hotel ernaast.”
Aat doet verantwoordelijk werk, hij moet mensen aannemen en ontslaan, en regelmatig inspringen voor zieke collega’s. “Het was aanpoten. Zes uur ‘s ochtends beginnen, zes uur ‘s avonds naar huis. Weken van vijftig, zestig uur.” Uiteindelijk krijgt hij zoveel last van zijn hart dat een operatie nodig is. Minder uren werken is niet bespreekbaar en hij wordt weggestuurd. “Bevalt het niet? Dan rot je toch op?” Aat spant een rechtszaak aan wat uiteindelijk leidt tot een gouden handdruk. “Een mooi bedrag, maar niet zaligmakend. Ik was na al die mooie jaren liever door de voordeur vertrokken dan op deze manier.” Hij heeft dan nog 726 vakantie-uren staan.
Als zijn moeder overlijdt, blijft hij alleen achter in het huis waar al 55 jaar woont. “Ik heb nooit de prinses op het witte paard gevonden. Wat stoplichtrelaties, verder niks. Of ik dat jammer vind? Ach, werk was altijd alles voor me. Ik vond dat mijn eerste verantwoordelijkheid. Bij mijn laatste vriendin hoopte ik het anders te gaan doen. Maar toen bleek ze me te belazeren.”
De knop gaat om
Dan gaat bij Aat de knop om en blijkt die gouden handdruk zó op te gaan. Eerst een WW-uitkering, daarna bijstand, toch blijft hij geld uitgeven alsof hij nog een vast maandsalaris heeft. “Ik heb te royaal geleefd. Dan gaat het hard.” Aat kijkt steeds dieper in het glaasje en heeft helaas ‘een kwade dronk’. Hij is dan, naar eigen zeggen “niet te hanteren”, zelfs niet als hij uiteindelijk hulp krijgt van verslavingszorg. “Ik was de hele dag dronken. M’n moeder zei er nog wel eens wat van. ‘Aat’, zei ze dan, ‘waar ben je mee bezig?’” Zijn zussen en broers laten hem vallen. Pas na een lange strijd weet Aat uiteindelijk te stoppen met de drank. Maar voor zijn familie is dat te laat. Hij krijgt een brief dat hij niet meer welkom is. Dat begrijpt hij best. “Het was niet oké wat ik deed.”
Berentietjes
Aat wil niet meer de hele dag thuiszitten en gaat vrijwilligerswerk doen om iets voor anderen te betekenen. “Het vrijwilligerswerk heeft me gered. Stilzitten kan ik niet. Voor een puzzelboekje heb ik het geduld niet. Vroeger ging ik nog wel eens naar voetballen kijken, maar dat doe ik nu ook liever thuis. En Maxie hè?”, en hij wijst naar het model van de Formule 1 bij de tv. Aat rijdt ouderen met een bus en gaat mee op de kerstreis met de Zonnebloemboot. Dan is hij niet meer te stoppen. Hij heeft de vingers van allebei zijn handen nodig om alles op te sommen: groen verzorgen op de begraafplaats, klusjes bij verschillende kerken, helpen bij de Leiden Marathon en het Rembrandtweekeinde. Met het openluchttheater van het Leidse Hout is hij gestopt, omdat het te veel werd. Het leukste vindt hij stoelen neerzetten en opruimen bij de gratis concerten in de Hooglandse Kerk. “Die Engelse koren. Daar krijg ik kippenvel van. Of zoals we dat in Leiden zeggen: Berentietjes.”
Etentje van het bestuur
Als het niet goed gaat met Aat, zoals die keer als hij de intensive care ligt, laten zijn medevrijwilligers hem niet met rust. “Dan is iedereen me kwijt. Is iedereen in rep en roer. Ja dat is heftig, als het allemaal tegelijk komt. Dat maakt indruk, hoor.”
Kortgeleden krijgt hij ineens een etentje aangeboden van het bestuur van de begraafplaats om hem te bedanken voor zijn werk. En om te vragen of ze wat voor hém kunnen betekenen. “Hartverwarmend. De mensen hebben me duidelijk weer ergens voor nodig, heel fijn vind ik dat. Die gezelligheid, die waardering, daar leef ik nu voor. Die gooi ik niet meer weg!”
Wat gebeurd is, is gebeurd
Al met al vindt Aat dat het heel goed gaat nu. Hij drinkt nog wel eens een biertje maar dat is het. Gelukkig heeft hij inmiddels zijn pensioen en zijn AOW en hoeft hij zich over geld geen zorgen meer te maken. Wel vraagt Aat zich af hoe het moet als hij er niet meer is. Het huis staat nog vol met spullen van hemzelf en zijn ouders. Dat moet er dan allemaal uit. Maar zijn familie is op leeftijd en zijn broer van 74 is ook krakkemikkig.
Dat hij geen contact meer heeft met zijn familie vindt hij nog steeds heel erg. “Mijn mooiste momenten in het leven waren met mijn moeder en mijn oudste zus. Als haar man was varen, hij werkte bij de marine, dan gingen we met zijn drieën op vakantie. Ik rijden, zij de kaart lezen. Naar België, naar Duitsland. Dat was altijd erg gezellig. Maar hij heeft zijn broers en zussen niks meer te zeggen. “Nee, het is goed zo. Wat is gebeurd, is gebeurd.” En verder zegt hij: “Probeer bij jezelf te blijven. Draag een ander een warm hart toe. Dat is het belangrijkste.”
Hoe is het mogelijk?
En wie zorgt er voor de zachtmoedige Aat? De thuishulp die hem helpt in de huishouding, is ook een Formule 1-fan. “Ook in mijn moeilijke tijd is ze bij me gebleven, hoewel ze me ook wel eens achter het behang wilde plakken.” Ook komen de mensen van het Straatpastoraat bij hem op bezoek en in de kerk zijn er ook mensen bij wie hij zijn verhaal kwijt kan. “Het team is ontzettend gezellig, we praten regelmatig over van alles. Maar ik ben nog wel op zoek naar een maatje.”
Aat is blij dat hij de boel weer op orde heeft. “Nu is het leven beter, met mensen om me heen die me een warm hart toedragen. Als ik weleens vertel hoe ik vroeger was, staan ze raar te kijken. ‘Hoe is het mogelijk,’ vragen ze dan. Hoe is het mógelijk?’”
Tot Aats verrassing is hij op 24 april 2026 tijdens zijn vrijwilligerswerk in de Hooglandse Kerk, bevorderd tot Lid in de Orde van Oranje-Nassau.
Leiden, mei 2026
