“Mijn leven van vouwen, vallen en opstaan krijgt van mij toch een acht.”

Opgetekend door: Susanne Feiertag

Het levensverhaal van René

Op zoek naar antwoorden 

René wil grip krijgen op het leven dat achter hem ligt. Na zijn tweede herseninfarct regelt zijn baas een opname in het verzorgingstehuis waar hij inmiddels acht weken verblijft. Hij bladert door zijn geheugen, op zoek naar puzzelstukjes van herinneringen en antwoorden op grote vragen. Waarom hoort hij niets meer van zijn zus? Waar is zijn beste vriend gebleven?  

Op het witte tafeltje  

De bruine gordijnen in zijn appartement zijn half gesloten. De deur staat open. Je ziet en hoort bewoners en verzorgers wandelen over de gang. Iemand vraagt wanneer de lunch wordt geserveerd, een ander steekt haar gezicht om de hoek en vraagt met een vrolijke blik hoe lang René nog bezet is. Op de gang gilt iemand een paar keer achter elkaar. Daarna is het weer rustig. “Mijn bazin heeft me hier naartoe gebracht.” René vertelt het zonder een spier te vertrekken.  

Hij kijkt nog een beetje onwennig rond in zijn kamer. Op een wit tafeltje naast het raam staan twee zwart-witfoto’s. Op de ene foto staat zijn moeder afgebeeld. Een knappe vrouw met een witte hond op schoot. Ze lacht je tegemoet. Op de andere foto kijkt het smalle gezicht van zijn vader je met ingetogen blik aan. Het zijn de enige foto’s die René nog heeft.  
De inrichting van zijn kamer is nog niet helemaal klaar, maar aan de wand hangen wel een paar dierbare dingen waaronder een pluchen gewei van een ree. “Die hing in de gang van mijn moeder.” Behalve de beide foto’s van zijn vader en moeder staat er op het tafeltje een lamp met een porseleinen stam in de vorm van een man gekleed in een lange jas en met een hoed op. Een blikvanger. “Die heb ik zelf gekocht. Ik had er twee. Op elk nachtkastje stond zo’n lamp.” 
 

Spullen 

Zijn baas zorgt er niet alleen voor dat René in het verzorgingstehuis terechtkomt, maar ze ruimt ook zijn huis op. “En nu is mijn huis leeg. Mijn spullen zijn naar de kringloop gebracht.” René slaakt een diepe zucht. “Ik mis alle foto’s van mijn kindertijd.” Hij stopt weer even. Hij heeft tijd nodig om de juiste woorden te vinden voor wat hij wil vertellen. “Het is toch je jeugd die je nu kwijt bent.” Hij vraagt zich af waarom niemand hem heeft gevraagd welke spullen hij graag bij zich had willen houden.  

Jeugd 

René wordt geboren in de Jordaan. Daarna verhuist het gezin twee keer. Eerst naar de Indische buurt en daarna naar Kattenburg. Hij heeft een mooie jeugd gehad. Zijn vader is stoffeerder en repareert bankstellen, stoelen en tapijten. Ook legt hij zeil bij de klanten thuis. René helpt hem daarbij. Opeens schiet hem te binnen dat hij vroeger één keer per week met zijn vader naar het badhuis ging. “Daar konden we voor een kwartje douchen. Je moest snel je hele lichaam inzepen en dan meteen afspoelen. Het water was snel op.” 

René’s moeder is naaister. “Over haar kan ik moeilijk vertellen.” Zijn zus is vier jaar jonger dan hij. Ze zijn erg aan elkaar gehecht. “Ik heb haar al twaalf jaar niet meer gezien.” Hij kan niet meer precies navertellen wat er tussen hen is gebeurd, behalve dat er tijdens een vakantie in Spanje iets voorvalt. Daarna wil ze hem niet meer zien. Het enige wat hij nog weet is dat ze in een kaaswinkel werkte en dat ze een dochter heeft. En dat ze in hun jeugd altijd samen waren.  

Bij de boekbinderij 

René volgt de lts. Het vinden en behouden van werk gaat met vallen en opstaan. “Ik had eerst vier banen achter elkaar als huisschilder. Maar bij de één deed ik dit niet goed en bij de andere deed ik dat niet goed. Altijd hetzelfde liedje. Elke keer werd ik na een maand ontslagen.” Uiteindelijk vindt hij via een buurjongen werk als productiemedewerker bij een boekbinderij in de Jordaan. Daar blijft hij jaren werken. Met heel veel plezier. Maar de zaak gaat failliet en René staat weer op straat. Daarna volgt een baan in Zwolle, maar ook die zaak gaat na anderhalf jaar failliet. Na veel banen, bazen en teleurstellingen belandt hij, weer als productiemedewerker, bij een boekbinderij in Amersfoort waar hij dertien jaar blijft werken. Het is zijn laatste baan. René is nog steeds trots op zijn carrière. Op een tafeltje naast het raam staat een grote mok van aardewerk waarop de naam van zijn laatste werkgever staat gedrukt. Het werk heeft hem door moeilijke tijden heen gesleept en daar is hij nog steeds dankbaar voor.  

Andere René  

Zijn beste vriend heet ook René. Ze zijn al vrienden sinds de kleuterschool. Na twee verhuizingen raakt hij ook dat contact kwijt. De vriendschap duurt vijftig jaar. In het weekend zaten ze in de kroeg op het Rembrandtplein of op het Leidseplein. “We dronken tot we lazarus waren. We hadden gesprekken over vrouwen, of we gingen naar de film.” De laatste keer dat René hem spreekt is twee jaar geleden. “Hij weet niet dat ik nu hier zit.” 

Belazerd 

Op zijn negentiende woont hij samen met zijn vriendin. In het begin gaat het goed. Zij werkt bij een schoonmaakbedrijf. Na tweeëneenhalf jaar begint ze opeens een beetje vreemd te doen. “En toen kwam ik erachter dat ze me zat te belazeren. Ze ging er vandoor met een andere man. Met mij wou ze geen kinderen. Met hem kreeg ze er vier. Zij wel.” René trouwt niet en krijgt geen kinderen. Wel denkt hij regelmatig terug aan zijn vriendin van vroeger. “Het was zo leuk met haar. Waarom heeft ze me in de steek gelaten?” Die vraag blijft onbeantwoord, hoe diep hij ook in zijn geheugen spit.  

Mooie momenten 

René herinnert zich dat hij zo’n twintig jaar geleden met oud-klasgenoten van de basisschool heeft gegeten bij hetzelfde badhuis dat hij vroeger met zijn vader bezocht. Er waren ook meesters van vroeger bij. Zijn gezicht leeft helemaal op. Hij lacht. “We hebben maar een keertje met zijn allen gegeten, maar het was een prachtig moment in mijn leven. Iedereen herkende elkaar nog. De meesten waren maar weinig veranderd.”  

Ook schieten hem opeens twee mooie vakanties te binnen. Zoals de vakantie naar Turkije met zijn oude buren. Boven René’s bed hangt een schilderij van een zeventiende-eeuws zeilschip dat over woeste golven vaart. Met verlangen in zijn blik kijkt hij ernaar, alsof het beeld hem doet denken aan die fantastische vakantie.  

Gorilla 

Maar dan slaan de herseninfarcten toe. “De rechterkant is niet meer zo best.” Hij mist het contact met zijn collega’s en anderen. René valt weer even stil en kijkt een poosje voor zich uit. “Maar ik heb altijd met plezier op de vouwmachine gewerkt. Ik mis het.” Zijn blik dwaalt af naar twee zwart-wittekeningen aan de wand. Op de ene tekening staat een gorilla, gemaakt door een bekende Nederlandse kunstenaar. “Die kwam een keer bij ons bedrijf langs om te kijken hoe boeken worden gemaakt. Hij was stomdronken. We moesten hem ondersteunen, anders zou ie zijn omgevallen.” René moet er nog om lachen.  

Fel  

Dan herhaalt hij op felle toon: “Alles, al mijn foto’s zijn weg. Het is echt verschrikkelijk want nu mis ik mijn herinneringen van vroeger.” Op de gang klinkt weer een gil, langzaam schuifelt een bewoner voorbij. Ondanks alles wil René nog wat meegeven. “Je moet altijd vrolijk tegen het leven blijven aankijken, wat er ook gebeurt. Want als je dat niet doet krijg je verkeerde vrienden.” Zijn toon wordt zachter. “Maar mijn leven krijgt van mij toch een acht. Vanwege mijn leuke jeugd en die paar leuke vrienden die ik heb ontmoet.” 

Over de dood 

René denkt niet dat er veel mensen naar zijn begrafenis komen. “Ik hoop wel dat mijn oude vriend komt en mijn bazin. Verder weet ik niemand.” René glimlacht als hij dat zegt. “Meestal ben ik vrolijk. Ik ben ook weleens heel verdrietig.” En hij voegt eraan toe dat hij geraakt wordt door het nieuws. “Maar het leven is moeilijk. Dat ook.” 
Weer die glimlach.  

Amsterdam, september 2026 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *