Kleurrijk, klein van stuk en nog altijd een ‘snotneus’. Rob is een vlotte prater die van mensen om zich heen houdt, maar nog meer van dieren. In zijn propvolle woning kom je ogen te kort om zijn verzamelingen te bekijken.
Dieren en kabouters
Dieren, veel dieren. Van pluche, van steen, van plastic. Het is bij binnenkomst meteen duidelijk dat Rob van spulletjes houdt. In letterbakken, in vitrinekastjes, op de salontafel, op de bank en soms op de grond staan konijnen, beren, olifanten en poezen in allerlei soorten en maten. En kabouters ook. Rob heeft geen idee hoeveel hij er heeft, misschien wel honderd. Aan de voorkant van zijn flat staan ze in het raam en overzien ze de straat. En aan de achterkant bewaken ze zijn tuin. “Ik had ook een hele grote tuinkabouter, maar die heeft een buurman ooit meegenomen.” Je kunt aan Robs gezicht zien dat het hem nog steeds dwars zit.
Zelfstandig wonen
Rob deelt zijn benedenwoning met twee katten, Saartje en Morris, en twee vrolijk kwetterende parkieten. “In het begin gingen de katten wel voor de kooi zitten, maar nu niet meer hoor”, lacht Rob. Hij woont zelfstandig, ook al is dat best bijzonder want hij is daarmee de oudste zelfstandig wonende cliënt van Gemiva in Leiden. In augustus is Rob 79 geworden, maar hij voelt zich beslist niet oud. “Helemaal niet! Ik ben soms nog altijd die snotneus van toen, ik merk er niks van dat ik oud ben.” Rob is dan ook nog steeds boos op zijn vorige begeleider die hem naar een tehuis wilde sturen. “Ze vond dat ik te veel troep maakte in huis en dat ik moest opruimen. Het is mijn troep en ik wil hier helemaal niet weg. En er was ook een begeleider die vond dat ik te oud was.” Hij zucht hoorbaar en verbaasd. Rob is goedlachs en vrolijk, maar ze moeten hem niet boos maken. Want van zachtaardig kan hij van het ene op het andere moment ontploffen van woede. Een beetje bozig: “Ik laat me niet het brood van mijn beleg eten, hoor. Oh nee, de kaas van mijn brood!” En hij lacht om zichzelf.
Indonesische roots
Rob is een kleurrijke en voor zijn leeftijd beslist hippe verschijning. Hoornen bril, oranje bodywarmer, Birkenstocks. Hij draagt nagellak en veel sieraden. Oorbellen, ringen, armbanden. Zoals hij zijn huis versiert, versiert hij ook zichzelf. Rob is creatief, hij tekent veel. Op verschillende plekken in huis hangen zijn kleurrijke tekeningen. “Ik ga vaak naar het buurthuis om er te tekenen, te knutselen, en ook wel eens om te eten. Soms is er bingo en laatst hebben we een boottochtje gemaakt.” Met zijn museumjaarkaart gaat Rob graag naar de Hortus, het Rijksmuseum van Oudheden of het Wereldmuseum. “Ik hou van oude dingen, ik vind die mummies zo mooi. En pasgeleden nog was er in het Wereldmuseum de Pasar Leiden, daar ga ik ook altijd heen. Lekker Indonesisch eten.”
In Indonesië liggen dan ook zijn roots. Zijn moeder was half Indonesisch. Vlak voor ze in 1947 vanuit Indië met de boot naar Nederland vertrekt, schenkt ze op 6 augustus 1947 het leven aan Rob in Bandung op West Java. De onafhankelijke Republiek Indonesië bestaat dan al twee jaar, maar er woedt een flinke guerrillaoorlog omdat Nederland die onafhankelijkheid bestrijdt. Kleine Rob heeft daar gelukkig geen weet van. Zijn moeder was dienstmeisje in het paleis van president Soekarno tot ze dus met de pasgeboren Rob en haar zus de boot naar Nederland neemt.
Een gezin in Nederland
Ze komen in Leiden terecht waar zijn moeder trouwt met P. Alleenstaande moeders waren in die tijd een zeldzaamheid. “Ik weet niet wie mijn echte vader is en mijn grootouders heb ik ook nooit gekend. Mijn stiefvader was niet altijd even aardig en best streng, ook voor mijn moeder.” Aan de muur hangt een lijst met zwart-wit foto’s van Rob als jongen van een jaar of twaalf. Keurig gekamde haren, pa in pak en moeder in een mooie jurk, gefotografeerd in een typische jaren vijftig woonkamer. In die tijd had de straat nog een café, een kapper en een patatzaak.
Rob herinnert zich vooral zijn lieve moeder (“Ik was een moederskindje, ja”). Met haar zus uit Den Haag kookte ze vaak Indische maaltijden voor een toko. Ook herinnert hij zich uitstapjes met zijn stiefvader. “Hij hield van vliegtuigen en wij gingen soms samen naar Schiphol om die te bekijken. Oude Fokkers toen nog.”
Zijn moeder ging nooit meer terug naar Indonesië, ook Rob is er nooit geweest. Hij heeft wel een paar andere vakantieherinneringen uit zijn jeugd. “We gingen wel eens op groepsreis, met de bus naar Duitsland. In Rüdesheim was een groot kerkplein en uit de kerktoren kwamen van die poppen die muziek maakten. En in Heidelberg bezochten we het Slot en de ruïnes van de oorlog.”
Zorgen voor de ouders
Zijn leven lang werkt Rob bij De Zijl Bedrijven (DZB), hij krijgt er een zilveren en een gouden speld voor. De laatste uit handen van toen nog burgemeester Henri Lenferink. “Ik heb alleen lagere school gehad. En ik ging naar de avondschool toen ik twintig was. Ik werkte op de sociale werkplaats en later bij DZB in het groen en in de catering.” Rob blijft tijdens zijn werkend leven bij zijn ouders wonen en zorgt voor hen tot zij overlijden. Beiden worden 94 jaar. Hun gezondheid gaat op het laatst hard achteruit. Zijn vader valt meerdere keren uit bed en komt in het ziekenhuis terecht waar zijn moeder ook ligt. “Ze mochten niet eens bij elkaar in de kamer!”
Hulp van verschillende kanten
Als zijn ouders zijn overleden, woont Rob voor het eerst alleen, hij is dan 69 jaar oud. Toch valt het hem niet zwaar. “Ik vond het helemaal niet moeilijk om alleen te wonen. Maar in het begin had ik wel last van mijn bovenbuurman, die was niet aardig. Hij schreeuwde naar me en gooide zelfs eieren tegen mijn raam.” Gelukkig voor Rob wordt zijn (verwarde) bovenbuurman door de woningbouwvereniging uit zijn woning gezet. Nu heeft Rob rust en goed contact met verschillende aardige buren. Ze werken samen aan het vergroenen van de straat en aan de verkeersveiligheid.
Daarnaast krijgt Rob professionele hulp van verschillende kanten. Hij staat onder financieel bewind en Stichting Veritas vertegenwoordigt zijn persoonlijke belangen. Met zijn nieuwe mentor heeft hij een goede klik. Soms komen er studenten koken van Stichting Present die ook elk jaar zijn tuin bijhouden. En iedere woensdag komt zijn begeleider. Zij ondersteunt mensen met een verstandelijke beperking. Ze praten over van alles en lachen vaak. Ze verschonen de vogelkooi samen, checken de medicijnen of de aanvragen die Rob doet voor extra geld naast zijn leefgeld. Onlangs heeft hij zo een nieuwe kookplaat kunnen kopen. En elke vrijdag komt zijn Afghaanse vriend koken. Gelukkig heeft hij nu een Nederlands paspoort en mag hij hier blijven. “Als ik tachtig word, komt hij bij mij wonen,” glundert Rob.
Olympisch goud
Tot voor kort loopt Rob nog kriskras door heel Leiden. “Ik heb altijd aan wandelsport gedaan. In groepsverband wandelen, heel gezellig.” Maar en paar jaar terug wordt hij door een auto geraakt en breekt hij zijn arm. Sindsdien loopt hij minder zeker en neemt hij zijn rollator mee als hij naar buiten gaat. “Zonder rollator ben ik bang dat ik omval. Fietsen durf ik ook niet meer.” Toch komt hij overal. “Ik ga graag naar de Haagse markt. Of naar Zoetermeer om te winkelen. Nou ja, meer kijken.” Rob vindt het leuk om onder de mensen te zijn. Zo doet hij elk jaar in mei mee aan de Nationale Rollatorloop in het Olympisch Stadion van Amsterdam. De vier ‘Olympische gouden medailles’ aan de muur zijn het bewijs. “We gaan er met de bus heen, krijgen koffie met gebak en na de loop een advocaatje met slagroom. En er is altijd leuke muziek.”
Al leeft Rob nog een vol leven (“Ik ben harstikke blij met mijn leven!”) en heeft hij plannen voor de toekomst, toch heeft Rob al iets geregeld voor als hij er niet meer is. Hij weet ook hoe hij later herinnerd wil worden. “Als een beste kerel die ook af en toe chagrijnig was.”
Leiden, oktober 2026
